Het ballonnetje dat ter versiering aan haar rolstoel was vastgebonden stuitert nu ritmisch op en neer, voortgejaagd door een lichte bries die via de openstaande deuren de woonkamer bereikt. Een oranje ballon ter ere van Koningsdag dat ook dit jaar uitbundig wordt gevierd.

Waarom denken mensen dat met het ouder worden ook je verstand afneemt? Wie hangt er nou een ballon aan mijn stoel? Een tachtigjarige!

Vragen die door haar gedachten tollen maar waar geen antwoord op komt. Haar ogen dwalen af naar de parkeerplekken die al ras gevuld worden door auto’s van het bezoekende publiek. Zonen, dochters en kleinkinderen. De laatste voor de gelegenheid getooid met op school in elkaar geknutselde kronen. In sommige knuistjes wappert de Nederlandse vlag. Alsof God het tafereel van boven aanschouwt en goedkeurt, verschijnt er een stralende zon.

‘Zo mevrouw Van Ieperen, zit u alleen? Deze heer wil u gezelschap houden.’ De bejaardenverzorgster glimlacht ondeugend.

Alweer zo’n domme vraag. Natuurlijk zit ik alleen! Wie zou mij moeten bezoeken? Mijn echtgenoten zijn gestorven en kinderen heb ik niet. Jeetje, wat een dom mens, als verzorgster zou ze dat toch moeten weten!

‘Zet me maar naast haar neer,’ hoort ze de man tegen de verpleegkundige zeggen. Marcus Kleinjan, een been geamputeerd en een voorraad aan schuine moppen die te pas en te onpas over zijn lippen rollen.
‘Hé Lizie, gaat het?’ Zijn hand knijpt even in haar onderarm. Als antwoord op de vraag schenkt ze hem een glimlach.

Wat lijkt hij veel op Rutger! Dat forse postuur en die ondeugende lach. Zou deze man in zijn jongere jaren net zo’n Don Juan zijn geweest? Mijn allerliefste Rutger, altijd complimentjes klaar voor de dames die zijn pad kruisten en dat waren er veel in zijn huisartsenpraktijk. En een klaploper! Dat ik daar nooit erg in heb gehad! Van mijn hele kapitaal niets over, de schavuit! Maar ach, wat maakte hij het leven boeiend. Feestjes, reisjes, meeslepende gesprekken met vrienden over politiek en literatuur. Na de puriteinse Nico, werd het leven ineens een stuk avontuurlijker. Rutger… wat hebben we prachtige tijden gehad…

‘Ik moet plassen.’ Alsof meneer Kleinjan haar ter plekke een wc onder de billen kan plaatsen kijkt ze hem gebiedend aan.
‘Ik zal Mieke een seintje geven.’
‘Die verzorgsters hebben het allemaal druk, kijk maar.’
Meneer Kleinjan kijkt in de richting die haar uitgestoken wijsvinger aangeeft. Hij ziet hoe bij de entree het personeel staat te kletsen. Sommige roken tegelijkertijd een sigaret waarvan de damp de beteerde longen via openstaande monden of neusgaten verlaat. Een vreemd gezicht, zo stelt hij vast.
‘Vroeger was roken een sierlijke bezigheid. Vrouwen hadden van die lange sigarettenpijpjes, erotisch,’zegt hij vooral tegen zichzelf.
‘Ik wil naar mijn kamer, ik moet nog steeds plassen.’ Hij kijkt verwonderd naar Lizie. De jengelende stem staat in schril contrast met de deftigheid die ze uitstraalt.

‘Kedeng Kedeng, Oe Oe.’ Als twee treinwagons rollen mevrouw van Ieperen en de zacht zingende heer Kleinjan door de woonkamer, zich niets aantrekkend van de verwondering welke van de gezichten van bezoekers af te lezen is maar waarvan helpende handen stevig rond theekopjes of gebakbordjes geklemd blijven. Meneer Kleinjan lacht iedereen vriendelijk toe terwijl hij met vooruitgestoken been Lizie naar de lift rolt opweg naar hun kamer.
‘Kedeng Kedeng, Oe Oe,’ herhaalt hij. Marcus Kleinjan, haar derde man. De vader van haar enige dochter… Samen zijn ze opgegaan in de mist die in haar hoofd steeds dikker wordt.

Een oranje ballon stuitert zachtjes op en neer. Eén seconde gedragen door de bries die via de entreehal binnen waait, één seconde in de greep van de zwaartekracht die hem genadeloos naar beneden rukt, op een ritme bepaald door de natuur. Alsof God van boven het schouwspel aanschouwt en haar even wil terugbrengen in het heden, stopt het versiersel voor haar rolstoel. Met één been schopt ze venijnig het frutsel weg.
‘Alweer die stomme ballon Marcus! Hoe verzinnen ze het!’
’t Is feest Lizie, ’t is feest!’