Sinds kort woon ik samen. Met wie weet ik niet, wel met wat. ´t Heeft een lange staart en piepkleine oortjes. Gisteren heb ik mijn buurvrouw op de hoogte gebracht van mijn vrijage. Nog voor ik uitgesproken was hing ze aan het plafond, gillend dat deze vreselijke indringer dóód moest. Wat ik dan weer niet kan, zo´n dier ten grave brengen.

Zodra een beest ogen heeft die mij oprecht aan kunnen kijken, ben ik verloren. Mierennesten daarentegen kan ik zonder een sprankje schuldgevoel in één keer naar de gallemiezen helpen. Terwijl dat op zich toch ook wondertjes van de natuur zijn. Het blijft vreemd hoe ons brein werkt. Terug naar mijn muisje. Die zie ik overal. Wat natuurlijk niet kan want ik woon samen met één exemplaar, niet een hele familie. Tenminste, zover ik weet …

Ook de krant past zich qua berichtgeving aan, aan mijn huiselijke omstandigheden. Zo las ik een artikel over een supermarkteigenaar die voor de rechtbank moest verschijnen. Hij had een wel erg gruwelijke val uitgezet voor zijn knagertje: een plat stuk karton voorzien van banen superlijm. Het arme schepsel dat daarop vast kwam te zitten onderging een vreselijke dood door honger en dorst, verklaarde een bijzondere opsporingsambtenaar. Men onderzoekt tegenwoordig alles, ook de doodsoorzaak van een knaagdiertje. Het verweer van de lijmer was dat de val niet door hem was neergezet, maar door de vorige winkeleigenaar, zeven jaar geleden. Tot zover de hygiëne van deze grootgrutter.

Terwijl ik deze column zit uit te tikken knaagt mijn muis lekker aan een of andere balkonplant. Ik hoor hem wel, zien is me niet gegund. Hoe ik ook mijn potten afspeur, geen spoor van zijn staart of schattige oortjes. Dan valt mijn oog op het theelabeltje dat zachtjes tegen de theepot tikt, de muis is verdwenen.

Bron: Sander Sonnemans, AD

© Sophie Dijkgraaff