In de metro tussen Rotterdam en Capelle is het een drukte van jewelste. De hitte die al dagen in de straten hangt, glipt met mij mee naar binnen. In de metrowagon hangt een mengeling van zweet en warme afhaalgerechten. En er zoemt een hommel. Hysterisch is hij op zoek naar een deur. Die hij vindt. Alleen is het niet de uitgang van de metro: de hommel staat plots oog in oog met Petrus. Een geïrriteerde passagier vermorzeld het vliegertje genadeloos met zijn krant.

In het Boeddhisme is het doden van een levend wezen tegen de vijf voorschriften waar iedere volger zich aan moet houden. Deze man is dus duidelijk geen boeddhist. Ik ook niet, bij mij is geen mier zijn leven zeker. Maar voor wie wel eens naar de natuurprogramma’s van David Attenborough kijkt, weet hoe mooi en nuttig alle diersoorten zijn. Ook de mier. Intussen laat de hommelmoordenaar zijn blik triomfantelijk door de wagon gaan, klaar om een compliment in ontvangst te nemen. Die krijgt hij niet. Al zijn medepassagiers zijn druk, met zichzelf en het overleven van de buitengewone warmte.

 

Mijn gedachten gaan terug naar een andere gebeurtenis van weken geleden. In de hoofdrol twee agenten en een uitgeputte dorstige hommel die gewikkeld was in een strijd op leven en dood. Zoals het goede dienders betaamt, schoten de twee te hulp. Niet met een krant, dan had ik er niet over geschreven. Ze reikten het slachtoffer een lepeltje water aan. Ontzettend lief en ‘al snel was het beestje weer op kracht en vloog opnieuw de grote boze wereld in’, volgens de reddende engelen. Persoonlijk kan ik het met deze uitspraak niet eens zijn. Dit vliegertje vloog in het paradijs. Zijn soortgenoot in de metro, die verbleef in de grote boze wereld met als gevolg dat hij nu vastgeplakt zit aan het dagblad dat eerder over het voorval berichtte.

Voor ik uitstap kijk ik nog even naar de beul die wat aan zijn krant friemelt waarna de hommel veranderd in een stukje vuil. Hopelijk is er ook een hommelhemel.

©Sophie Dijkgraaff