‘Wat zegt-ie? Hoerenwinkel?’ Mijn vriendin komt de woonkamer binnen. Ontzet kijkt ze naar de tv waarop het wekelijks vragenuurtje. ‘Welnee, dat zeggen ze toch niet in de Tweede Kamer. Het ging over een tabakswinkel!’, antwoord ik. ‘Nou, ik verstond toch echt hoerenwinkel. Kunnen we het terugkijken?’

‘Geen denken aan. Zet dat woord maar uit je hoofd. Kamerleden vinden het ongetwijfeld ontzettend stoer om straattaal te gebruiken maar zulke woorden … Rot op! Echt, dan had Khadija Arib wel ingegrepen: Order, Order!’ Nina ploft neer op de bank en vervolgt: ‘Ik heb dat de laatste tijd wel vaker. De vreemdste zinnen komen voorbij. Jammer dat ik zo snel geen voorbeeld voorhanden heb.’
‘Nou mooi stel zijn wij, ik verhaspel woorden met praten en jij met luisteren.’

Gelukkig weet ik wat bij mij de oorzaak is. Ik ben niet kierewiet, alleen heeft mijn rechter hersenhelft soms moeite mijn linkerhelft te vinden waardoor de meest vreemde woordcombinaties ontstaan. Helaas is het defect door chemo net zo onrepareerbaar als de wasmachine van minister Wopke Hoekstra, om nog even bij de politiek te blijven. En een nieuw brein kopen zit er ook niet in.

Nina heeft zich comfortabel op de bank genesteld. Haar ogen turen naar Cees van der Staaij. U begrijpt, het is haast harteloos dit lieflijke tafereel te verstoren.
Ik doe het toch.

‘Zeg, heb je al uitgevogeld waardoor het komt? Raak je slechthorend? Is het de leeftijd?’
‘Echt niet. De duvel is oud. En voor je verder zeurt, slechthorend ben ik ook niet!’
‘O jee, Nina raakt geïrriteerd. Wijntje dan maar?’
‘Wat zei je?’

‘Proost’.

© Sophie Dijkgraaff