Langzaam krabbelen we weer op uit de coronamisère. De terrasjes zijn weer open evenals het Isala Theater en, ook belangrijk, we kunnen weer trouwen in aanwezigheid van onze familie en vrienden. Nu is het wachten op de rapporten die, met de kennis van nu, vertellen wat er goed en minder goed is gegaan in ons land tijdens de coronaperiode.

Irado loopt achter met het ophalen van grofvuil. Dat las ik in de krant. Nu moet ik eerlijk zeggen dat berichtje was niet echt nodig geweest. Nee, ik hoef maar naar buiten te kijken om te zien dat de troep op straat zich ophoopt. U begrijpt, ik chargeer. Een beetje. Maar ach, eigenlijk snap ik die afvallozers wel. Ja, als je eenmaal aan het opruimen bent dan wil je ook écht opruimen en niet in een of ander kamertje constant tegen stapels troep aanlopen, toch?

Tijdschrift Onze Taal verzon iets leuks. Omdat wij dit jaar niet massaal naar de Costa’s kunnen afreizen, vroegen zij lezers bestaande stads- en landsnamen tot iets exotisch om te toveren. De fantasie van de inzenders was groot. Zo las ik creaties als: Verveeluwe, Vergiethoorn, Laptopland, Achtertuinesië en – tromgeroffel – Dakkapellen aan den IJssel. Nu weet ik niet wie onze oer-Hollandse stadsnaam zo verbasterd heeft, maar via deze weg bedankt! Door deze inzending staat onze stad op een prachtige, speciaal voor dit doel ontworpen landkaart.

Op de radio hoorde ik iemand klagen over verkeershufters. U kent ze wel, chauffeurs die zo’n ongelooflijke haast hebben dat ze overal voorrang nemen ook al hebben ze dat niet. Of van die mensen die nog net even door het rode licht rijden waardoor voetgangers de schrik van hun leven krijgen. Enfin, tijdens de tirade raakte ik afgeleid door een voorganger die met een slakkengangetje van 70 kilometer per uur over de snelweg tufte.

En van je hela hola houdt er de moed maar in… Ik dacht, laat ik deze column beginnen met een oorwurm uit een héél oude doos. Speciaal om ons wat op te vrolijken. Volgens mij hebben we dat intussen wel nodig want moesten we eerst nog gieren om de wc-rollenrage, naarmate de quarantainemaatregelen voortduren merk ik toch op dat de stemming bedrukter wordt. Ondanks onze bezorgdheid raken we het zat. Toch moeten we nog even. Dus wat gaat ons op de been houden? Bij mezelf merk ik dat het fantaseren over de periode ná de coronacrisis prima werkt. Vooral soezend in de lentezon verzin ik het ene ‘after’ sprookje na het andere.

Ik heb er altijd van gedroomd – een schilderij maken à la Rubens met van die lekkere vlezige mensen die zich totaal niet schamen voor een rolletje meer. Ik zag mezelf dan staan achter een schildersezel met in mijn hand een verfpalet vol zelfgemengde kleuren, op mijn hoofd zo’n kunstzinnige baret die de ‘oude’ schilders ook altijd ophebben. Het zonlicht zou mijn modellen net zo mooi belichten als te zien is op de schilderijen van William Turner of Margaretha Haverman. Ja, als je droomt moet je groots dromen, nietwaar? Helaas. Zoals Marco Borsato ons lang geleden al duidelijk maakte – de meeste dromen zijn bedrog. Al jaren ligt er op mijn kast een schetsblok te verstoffen. Dat komt omdat na twee mislukte verfstreken mijn perfectionistische ikkie zó geïrriteerd raakt dat papier en kwast linea recta verdwijnen naar de plek waar ik ze eerder vandaan haalde. En nu leest u de rustige versie. Geloof me, in het echt gaat het er een stuk minder braaf aan toe.

Ik had van de traditie nog nooit gehoord: de uitreiking van de Schollevaarse Kaars. Zal vast aan mij liggen want ik leef nu toch al dertien jaar in Schollevaar en deze festiviteit, georganiseerd door de Ontmoetingskerk, is daarna begonnen. Met het overhandigen van de kaars wordt jaarlijks extra aandacht besteed aan een Schollevaarder die zich op een bijzondere wijze heeft ingezet voor de wijk. Dit jaar mocht Kees Landman, geroemd om zijn vermogen tot samenwerken en zijn hulpvaardigheid, de kaars in ontvangst nemen. Via deze column, alsnog van harte gefeliciteerd!

Heerlijk vind ik het: wegdromen in een andere wereld. Gewoon een boek openslaan en mijn hersens beelden laten verzinnen bij het avontuur dat verteld wordt. Vaak is er dan ook niets zo teleurstellends als de verfilming van een boek. Want tovert mijn fantasie al lezend bij een personage een lang, knap en uiterst galant beeld, is-tie in de film ineens een smurf met rotte tanden.

Werd onze stad in 2015 nog uitgeroepen tot ‘groenste stad van Nederland’, nu meldt de Bomenstichting dat Capelle voor een uitdaging staat: verduurzamen, verdichten en vergroenen. Vergroenen? Kan de groenste nog groener worden? Of zat ik met mijn bedenkingen dicht op de waarheid? Laat ik mijn bezwaar even herhalen: een wedstrijd waarbij steden eerst moeten lappen voor deelname sluit gemeentes zonder budget uit. Dus hoezo de groenste? Misschien zijn Hoorn, Sneek of Kampen wel veel groener. Laat ik verder de oude koe in de sloot laten.

Ik geef de lange zomeravonden de schuld. Door al dat barbecueën en de talloze glazen Chardonnay, heeft mijn lijf een metamorfose van jewelste ondergaan. Buikje is BUIK geworden. U begrijpt, zo kan ik de feestdagen met nog meer eten, eten, eten, niet tegemoet treden. De boel moet strak getrokken worden en snel. Maar hoe? Voor wie net als ik regelmatig Capelle doorkruist weet dat onze stad vol zit met sportievelingen. Joggers en nordic walkers, je breekt je nek er zowat over.

Oktober was dé maand van de geschiedenis. Totaal aan me voorbij gegaan. Niets over dit geschiedenisevenement gehoord of gelezen tot ik een gratis tijdschrift zag liggen in een boekenwinkel. Eigenlijk is dit stukje dus te laat. Toch neem ik de vrijheid terug te blikken op een paar kwesties die toen met nu verbinden. Neem de discussies over het verwijderen van bepaalde namen uit het straatbeeld omdat de helden van toen nu worden gezien als barbaren. Het Plakkaat van Verlatinghe (onafhankelijkheidsverklaring van de Nederlanden) uit 1581 was volop in het nieuws nadat Thierry Baudet in zijn college ‘vaderlandse historie’ deze verwarde met het verdrag van de Vrede van Münster (1648). U hebt er vast over gelezen, de stuurlieden buitelden over elkaar.

Tijdens mijn puberteit, die gepaard ging met onzekerheid over zowat alles, ontmoette ik mijn eerste ‘grote’ liefde. De gekste capriolen haalde ik uit om aandacht te krijgen van de jongen die mijn hart liet bonzen. Het ergste wat toen kon plaatsvinden was keihard afgewezen worden. Wat gebeurde, waarna mijn hart in gruzelementen viel. Een klein drama, maar te lijmen. Dat is tegenwoordig wel anders.

Wie via de Abram van Rijckevorselweg richting Capelle rijdt, waant zich meteen in de wereld van grote wijnhuizen zoals Moët & Chandon. Nou ja, binnenkort dan. Tot nu toe staan er ter hoogte van Fascinatio zo’n tweehonderd druivenstruiken te wennen aan de uitlaatgassen van de N219. Maar als deze proef, met de druivenrassen Solaris en Regent slaagt, worden ook de hellingen bij de Oostgaard en Westgaard aangeplant met deze struiken. Een geniaal idee. Ik zie ‘ons’, na de productie van de eerste flessen biologische wijn, al opgenomen worden in de wijnalmanak van Ronald de Groot of Hubrecht Duijker. Want zij weten wat topklasse is. Ik koop gewoon een wijnmerk dat ik kan betalen en hoop tijdens het ontkurken van de fles maar één ding: Laat-ie lekker zijn!

Heerlijk vind ik het. Alleen thuis en zeeën van tijd om de krant uit te pluizen of een column uit te tikken. Al schijnt verveling een goed te zijn voor onze gezondheid – vermindering van stress, bevordering creativiteit – ik heb er weinig tijd voor. Toch klinkt mijn ultieme tijdsbesteding anderen eenzaam in de oren. Voor wie uitgaat van de uitleg van de Dikke van Dale heeft gelijk. Professionele hulpverleners hanteren een andere definitie: een mens is eenzaam als er geen diepgaande persoonlijke relaties zijn. Daaraan geen gebrek.

Ik ben er niet dol op: afgesloten ruimtes. Zodoende rol ik ook weinig door de wasstraat. Het is me al een paar keer gebeurd dat, terwijl ik zo’n beetje de helft van het wasparcours erop had zitten en er van ontsnappen geen sprake kon zijn, de machines stil vielen. Zoiets zorgt direct voor klotsende oksels en duizenden vragen. Niet overdrijven. Meestal bid ik in stilte: laat mij niets verkeerds gedaan hebben. Doorgaans is dat ook zo. Maar een enkele keer ben ik wél de oorzaak. Gewoonweg omdat de versnellingsstand niet juist staat. Iets wat veroorzaakt wordt door mijn fobie waardoor ik voor het binnenrijden altijd twijfel. En vragen? Dan denken de wasmannen vast, komt weer zo’n blondje, tja, aan mijn haarkleur kleven nadelen.

Het was een verwarrende berichtgeving. Afgelopen april meldde de GGD dat onze gemeente de eikenprocessierups ging bestrijden, de gemeente zelf schreef dan weer dat de oorlog 1 juli startte. Het kan natuurlijk zo zijn dat tijdens de eerste ronde niet alle rupsen naar de eeuwige jachtvelden vertrokken. Of de verdelgers waren cowboys. Trouwens, waarom het woord ‘cowboy’ in de laatste decennia een spottende ondertoon kreeg, is mij een raadsel. Een cowboy of vrij vertaald: een veehoeder, was eerder altijd een dappere man. Neem Clint Eastwood. Dé held van talloze wildwestfilms.

Kinderen zijn er vaak dol op: hutten bouwen, zandtorens maken of in bomen klimmen. Mijn ouders begrepen dat. Daarom kochten ze een stacaravan in de omgeving van Overberg. Elke vrijdagmiddag, nadat mijn vader thuis was gekomen van zijn werk, vertrokken we direct naar dit paradijs. Poes en kinderen op de achterbank, moeder voorin met een soeppan tussen de voeten geklemd, zodat we na aankomst direct konden aanvallen.

Ik heb er goed over nagedacht, alle voors en tegens opgeschreven, sommige argumenten weer doorgekrast en aangevuld met nieuwe. Om helemaal zeker te zijn toerde ik met de auto verschillende keren over de Haringvlietbrug naar het eiland Goeree-Overflakkee. In een klein dorp staat een mooi dijkhuis te koop dat telkens als ik voor de deur sta lijkt te schreeuwen: ‘Koop mij!’

Binnenkort wordt hij 78 jaar: Bob Dylan. Voor diegene die net als ik fan zijn van de muzikant kan hij nooit oud genoeg worden. Ik hoop zelfs stiekem dat hij onsterfelijk is. Wat natuurlijk onzin is. Bob Dylan geboren als Robert Allen Zimmerman, is ondanks zijn talent ook maar gewoon een mens.

Het geluid van kerkklokken drong mijn woonkamer binnen. In een tempo passend bij een rustdag kleurde motregen de balkontegels donker. Ik besloot desondanks de fiets te pakken en naar nergens te gaan. Het werd geen lange tocht. Op tien minuten afstand van huis hoorde ik een sissend geluid. Een blik achterom maakte duidelijk dat de fietstocht veranderde in een wandeltocht. Zo kwam ik langs het volkstuinencomplex ‘Nut & Genoegen’, gelegen aan de rand van het Schollebos. In één van de tuinen zag ik een man driftig spitten. Zijn gekromde rug deed me denken aan mijn vader.

Wij maken op deze website gebruik van cookies. Een cookie is een eenvoudig klein bestandje dat met pagina’s van deze website wordt meegestuurd en door uw browser op uw harde schrijf van uw computer wordt opgeslagen.