De herfstzon speelt met de bladeren van de grote eikenboom, aait even over de bol van het grijze engelenbeeldje dat jaren geleden op de sokkel naast de gedenksteen is geplaatst. De engel houdt met zijn handen De Heilige Schrift tegen zijn frêle verschijning aangedrukt. De papieren ogen van een klein meisje, voor eeuwig achter het glas van een fotolijstje gevangen, zijn gericht op de vrouw die roerloos tegenover haar staat. Ze hoeft hier niet te komen om aan haar dochter te denken. Ze hoeft de tekst, gebeiteld in marmer, niet te lezen om herinnerd te worden aan de waanzin die haar levenspad doorkruiste. Nog elke dag ziet ze haar meisje over het schoolplein weghuppelen. Dat ze toen, die ochtend voor het laatst afscheid namen, kon niemand vermoeden.

 'Oant fannemiddei mem!'
'Tot vanmiddag mama!'

 Vrijdagmorgen

Juweeltjes

Door een kier tussen de gordijnen valt zonlicht naar binnen. Met toegeknepen ogen observeert de jongen de stofdeeltjes die ronddwarrelen. Ze irriteren hem. Maaiend met zijn armen probeert hij het dansen te stoppen – zonder resultaat. Het stof beweegt zich steeds sneller waardoor de woede die al dagen door zijn lijf sluipt, wordt gevoed. Buiten adem staat hij stil voor de spiegel. Opvallend zijn de overeenkomsten met het gezicht van zijn opa. Appelwangen, die naarmate de spanning in zijn lichaam toeneemt steeds roder kleuren, een enigszins grof uitgevallen neus en boven zijn ogen lopen brede wenkbrauwen als een dikke streep over zijn gezicht. Met één hand strijkt hij door zijn donkerblonde haar. Het is klam door het nachtelijk woelen – hier en daar staan plukken verward overeind. ‘Dat had jij niet meer opi, zo’n bos op je kop. Jij had een klein grijs kuifje toen je je Schepper ontmoette. Was-ie blij je te zien?’ Zijn adem kleeft nog aan de spiegel als hij zich ruw op bed laat vallen. De spijlen bonken kort tegen de muur. Hoe zou het voelen om dood te gaan? Zijn gepeins wordt verstoord door een fluitend geluid. Direct verlegt hij zijn focus. Er is niet veel fantasie nodig om zich voor te stellen hoe zijn moeder achter het fornuis eieren met spek staat te bakken, terwijl in een andere pan het oude brood wordt opgepiept. Om zijn gelijk te bevestigen kruipen de bijbehorende kookluchtjes onder zijn slaapkamerdeur door, waar het zich mengt met de al aanwezige weeïge lucht. Snel staat hij op, hij moet ze even vasthouden. Zijn juweeltjes. Na zachtjes de lade van zijn kast opengetrokken te hebben ziet hij ze liggen.Van het eerste broekje dat hij op zijn hand legt, is de stof vergrijsd. Het tunneltje dat ruimte biedt aan een elastiekje is hersteld met dezelfde steken als waarmee zijn moeder dekens repareert. Zou katoen vergaan onder de grond? Voorzichtig vlijt hij het broekje op zijn tafel onder het raam. Opnieuw steekt hij zijn hand in de la. Een iets groter broekje, met roze kant langs de pijpjes, maakt kennis met het daglicht. Op het gedeelte dat de navel bedekt, is een klein strikje aangebracht. De jongen voelt aan zijn buik. Nog niet zo lang geleden had hij daar ook zo’n strikje op zitten. Langzaam strijkt hij met zijn duim over het hagelwitte kruisje. Zijn longen inhaleren de meiwind die met die de stof heeft gespeeld. Tot het droog was. Tot hij het van de waslijn wegnam.
‘Jelle!’
Het ontbijt is klaar.

 

School

Aan het einde van de Wouddijk staan twee meisjes voor hun huis te wachten tot ze door hun moeders naar school worden gebracht. De bladeren van de esdoorn, door de gemeente aangeplant in het nieuw aangelegde bloemenperk, wiegen zachtjes in de zwoele bries die de felle wind van gisteren heeft opgevolgd. Behoedzaam doet het de rokjes van de meisjes even opbollen waarna de stof weer terugvalt rond de in kniekousjes gestoken benen. Met hun handjes klappen ze tegen elkaar. Het lied ‘Papegaaitje leef je nog’, rolt voor een kinderlijk gegiechel de dijk af. Het verkeer in de stad komt langzaam op gang. Aan de overkant van de oude trekvaart stappen werkmannen in een busje om te vertrekken naar het weiland. De tijd van maaien en hooien is aangebroken.

‘Kijk eens mem!’ Met een gestrekte arm loopt Geesje op haar moeder af die naar buiten komt lopen. In haar hand heeft ze een bosje madeliefjes. Met een glimlach op haar gezicht pakt Sylvia het toefje aan en strijkt haar dochter als extra bedankje over de bol.
‘Betanke, ik zal ze even binnen brengen.’

Sylvia, niet meer zo kwiek als zeven maanden geleden, loopt terug de lange gang door naar de keuken. Er is nog een meisje op komst. Vol van blijdschap aait Geesje elke dag even over haar buik om te voelen of de kleine schopt. Sylvia had nooit gedacht dat ze zo gelukkig kon zijn met het huisje-boompje-beestje leven. Tot voor hun verhuizing, nu negen jaar geleden, schuimde ze met haar man Tom, alle kroegen en terrassen van Amsterdam af. Bezochten ze houseparty’s en blowden er flink op los. Nu is ze dik tevreden met hun maandelijkse uitje naar de plaatstelijk bistro. Als Sylvia opnieuw naar buiten komt hebben Geesje en Froukje hun fiets gepakt. Anita, Froukje’s moeder, staat ernaast te frunniken aan de streng plastic bloemen die haar fietsmand opfleuren. Door haar rozige haar en sproetjes die over haar hele gezicht zijn uitgestrooid, verraadt ze dat haar voorvaderen eens vanuit Ierland de oversteek waagden naar een onbekend land.

‘We moesten maar eens opschieten anders komen de meisjes te laat.’ Vrolijk kijkt Anita richting Sylvia, die zuchtend een been over het fietsframe tilt.
‘Ja, dat is waar. Ik moest even de bloemen die ik van Geesje heb gekregen binnen brengen. Madeliefjes.’
‘Zo dat is lief, Geesje. Krijg ik die ook een keer van je?’

Nadat Geesje instemmend met haar hoofd heeft geschud doen ze er alle vier het zwijgen toe. Via de Hansmastrjitte fietsen ze over de Eewal, door een wijk die betere tijden heeft gekend. De oude huizen met overhellende gevels en verwaarloosde voortuinen doen armoedig aan. Gelukkig worden deze pandjes steeds vaker opgekocht door nieuwkomers. Mensen die de drukte van het westen achter zich willen laten en in deze rustige streek op zoek gaan naar nieuw geluk. Vanuit de verte is de schoolbel te horen. Is dit de eerste keer dat hij afgaat? Geesje hoopt van wel, anders moeten ze langs meester Hiemstra voor ze hun klas in mogen. Meester Hiemstra houdt niet van te laatkomers. Meestal moeten die voor straf, na de lessen, het schoolplein aanvegen. Een zware klus want de oudere kinderen die ’s avonds op het plein samenkomen om stiekem te drinken en te roken gooien altijd afval overal neer. Daarnaast hebben Geesje en Frouke vandaag andere plannen.

‘Zo nog net op tijd!’ Anita kijkt verlegen naar juf Wouke die aan de schoolpoort de kinderen uit haar klas opwacht. Snel lopen ze naar de fietsenstalling. Geesje en Frouke zetten hun fietsen naast elkaar en verbinden de achterwielen met één kettingslot.
‘Tot vanmiddag meisje. En uitkijken als jullie naar tante Marie fietsen!’ Anita en Sylvia geven hun dochters een zoen en blijven even zwaaien terwijl het duo naar de schoolingang loopt.

 

Wij maken op deze website gebruik van cookies. Een cookie is een eenvoudig klein bestandje dat met pagina’s van deze website wordt meegestuurd en door uw browser op uw harde schrijf van uw computer wordt opgeslagen.