Vrijdagmiddag

Biecht

De wachtkamer is volledig wit gestuct met aan het plafond, tussen engeltjes die met bolle wangen een geluidloos trompetgeschal voortbrengen, een moderne lamp. Het felle licht dat wordt verspreid zorgt ervoor dat de ruimte ondanks het warme lenteweer, kil aanvoelt. Aan de muren hangen foto’s van het Friese landschap gedurende alle seizoenen. Jelle kijkt naar het tafereel waarop witte wieven overheersen. Het is hetzelfde beeld als wanneer hij op een vroege herfstmorgen vanuit zijn kamer over de weilanden kijkt – koeien ingesloten door alom voorbij trekkende mistflarden. Soms zijn nog net de poten te zien. Even lijkt het erop dat de razernij die hij al dagen voelt, afneemt. Tot zijn ogen de lege blik van zijn vader kruisen. Zou zijn vader ooit trots op hem zijn geweest? Liefde voor hem hebben gevoeld? De jongen neemt zijn vader op alsof hij de afstand tussen hen wil overbruggen. Iets van herkenning wil vinden

in het gerimpelde gezicht dat omlijst wordt door grijs piekhaar. Het doet hem vreemd aan. Intussen spelen de handen van Jelle’s vader met de pet die hij heeft afgezet. Het hoofddeksel draait rond en rond: twintig, eenentwintig, tweeëntwintig telt Jelle. Van het moment dat ze samen in de auto gingen zitten tot aan Leeuwarden, een half uur rijden, hebben ze zwijgend naast elkaar gezeten. De jongen weet hoezeer zijn vader het haat dat hij hem wekelijks naar een psychiater moet rijden. In de verhalen die de jongen vertelt, herkent hij zijn gezin niet. Vaak valt hij Jelle in de reden. Niet met woorden, nee zijn vader maakt zijn ongenoegen kenbaar door zacht, bijna dierlijk, grommen. Het geeft Jelle een onvrij gevoel. Dokter Kingsma voelde dit vorige week feilloos aan. Gegeneerd had de jongen toegekeken hoe zijn vader, met hangende schouders de kamer uitliep. Het deed hem denken aan zijn eigen houding bij het uitgaan van de school, wanneer hij steevast door de jongens van zijn klas wordt uitgescholden.

Mongoalke! Stuk ûnbenul!’

Coen, de aanstichter, doet zelf niet mee. Beschaamd dat hij nog niet zo lang geleden dikke vrienden was met Jelle. Samen liepen ze na school naar huis. Samen zwommen ze in de vaart of liepen ze langs de boerderijen in de naburige dorpen – op zoek naar een hooischuur om in de fik te steken. Een actie die Coen aan de jongen overliet. Zelf verstopte hij zich altijd achter een bossage om wellustig toe te kijken hoe de vlammen om zich heen grepen, terwijl zijn eigen handen hem bevredigde. Juist doordat Coen tegenover Jelle geen enkele schroom kende, waande de jongen zich veilig. Coen was een echte vriend, voor wie hij bereid was alles te doen, met wie hij alles kon delen. Dat juist het tegendeel gold, bleek niet veel later toen de jongen zijn geheim ook kenbaar maakte. Of de meelopers van Coen de echte reden weten van het getreiter, daaraan twijfelt Jelle. Het lijkt hem eerder dat de najouwers gewoon doen wat is opgedragen. Als ze echt wisten wat er aan de hand was zouden ze vast woorden als: ‘Famke! 'of ‘Witte ûnderbroek,’ roepen. Vaak had hij op het punt gestaan zijn vroegere vriend te verraden. Hij dorst het niet.

Jelle Bongersma.’ Voorgaande keren werd de jongen opgeroepen door de assistent van de dokter, ditmaal staat Kingsma zelf in de deuropening. Jelle’s vader staat op en loopt voor de jongen uit naar de kamer van de dokter. Ter begroeting steekt hij zijn hand uit.
‘Sorry, meneer Bongersma, ik wil Jelle alleen spreken. Over een uurtje is hij terug.’ Als door een naald geprikt trekt Jelle’s vader zijn hand terug. Kingsma kijkt langs hem heen: ‘Middei Jelle, ga zitten.’ Uitnodigend gebaart hij naar de stoel die voor het mahoniehouten bureau opgesteld staat.

Het begin van elke sessie staat net zo vast als het ochtendritueel van Jelle’s moeder. Na wat gepraat over de lessen op school begint het ‘echte gesprek’, zoals Jelle dit voor zichzelf is gaan noemen.

Zeg Jelle, wat kun je me vertellen over je zusje Lobke? Herinner je haar nog?’
‘Jawel, dokter. Ik weet nog dat ons mem niet te troosten was. Hoe ze Lobke elke avond in haar trappelzak uit het kistje haalde. Het famke had eerst een blauw gezichtje. Toen we haar wegbrachten was ze wit en ijskoud.’
‘Was jij ook verdrietig? Wie troostte jou?’

Moest hij nu de waarheid vertellen? Dat niemand zich om hem bekommerde? Dat vader altijd druk was met zijn werk en zijn opa hem niet om zich heen kon velen. Moest hij vertellen dat de familie, nadat Lobke eenmaal op de begraafplaats bij oma bijgezet was, nooit meer over haar gesproken heeft? Dat zelfs op de steen, die het graf afdekt, haar naam niet is bijgeschreven? Hij herinnert zich de smeekbede van zijn moeder. Nog een meisje wilde ze. Na een jaar van hopeloos proberen zwanger te raken, begon het. Eerst stopte zijn moeder met het noemen van zijn naam – Jelle werd ‘de jongen’. Alsof ze zichzelf wilde herinneren aan het meisje dat haar grote God afgenomen had. Of wilde ze zichzelf zo straffen voor haar onvermogen nog een meisje te baren? Na een van haar wekelijkse uitstapjes naar de stad, was ze thuisgekomen met meisjesondergoed die de jongen moest dragen. Dat deed hij zonder tegenstribbelen. Net als alle jonge kinderen wilde hij zijn moeder dolgraag gelukkig zien en als ze hem zag lopen in meisjeshemdjes en broekjes was ze dat ook. Jarenlang vond dit schouwspel plaats tot ze op een dag thuiskwam en Jelle een verandering in haar bespeurde. Hij had gezien hoe de liefdevolle blik veranderd was in een oogopslag die walging toonde. In haar handen droeg ze een geel plastic tasje waarop in het blauw een jongenshoofd stond afgebeeld waaronder het woord: Zeeman. Snauwend wierp ze het naar de jongen: ‘Nu hoef je niet meer heel je broek uit te trekken als je moet plassen!’ Direct nadat Jelle de jongensbroekjes uit de verpakking had bevrijd voelde hij gruwel. De blauwe stof was ruwer dan de exemplaren die hij gewend was. Zijn vingers peuterden aandachtig aan de gulp die was afgewerkt met een afstekende oranje gekleurde bies. Vanaf dat moment begon hij te stelen. Eerst af en toe maar al snel was de drang zo dwingend dat hij bijna wekelijks een nieuw exemplaar aan zijn verzameling kon toevoegen. Eén keer werd hij betrapt. Net toen hij zijn lievelingsbroekje, het witte met de roze kantjes, aantrok, stapte zijn moeder zonder waarschuwing zijn kamer binnen. Boos grissend trok ze het mooie strikje op zijn buik kapot. Door Jelle’s hoofd spoken vragen waar hij geen antwoord op weet. Waarom had vader nooit ingegrepen? Had hij echt niet geweten wat er speelde? Of wist hij het wel. Verhult hij met zijn zwijgen de schaamte die hij voelt? Hoe kon opa, die bijna dagelijks over de vloer kwam, niet zien wat zijn schoondochter uithaalde?

Jelle?’
‘Dat weet ik niet meer dokter.’

Vol geduld vuurt dokter Kingsma vraag na vraag op de jongen af. Op zoek naar een uitleg waarom hij met regelmaat zeer ongewoon gedrag manifesteert. Het is tevergeefs. Jelle’s gedachten zijn door het open raam naar buiten gevlogen. Op zoek naar een boerderij, naar een waslijn, naar wasgoed dat te drogen hangt. Zijn biecht blijft uit.


Tante Marie

Direct nadat de schoolbel is gegaan hollen Froukje en Geesje naar hun fiets. Om bij tante Marie te komen moeten ze via de Bronlaan naar de Strobosserweg. Daarachter woont tante Marie. Haar kleine huis, met groene luiken en een rieten dak, ligt verscholen tussen een cirkel van bomen. Tante Marie heeft in de loop der jaren het grote grasveld omgetoverd tot een prachtige tuin vol bijzondere bloemen en planten die ze meegesmokkeld heeft van haar vakantiebestemmingen. Sinds Froukje en Geesje één keer per week komen helpen, hebben zij op een stuk naastgelegen grond hun eigen groentetuin gekregen. In de koude kas die Froukje’s vader Frans heeft gemaakt, staan bakken vol met sla- en andijvieplanten. Klaar om binnenkort uitgezet te worden in de daarvoor aangelegde perkjes. De tomaten laten ze binnen staan, zodat de wind ze niet om kan waaien. Tuinieren is de kinderen op het lijf geschreven. Ze genieten van de opkomende planten en de seizoenen die altijd weer iets nieuws te bieden hebben. Helemaal blij zijn ze als de hond van tante Marie, een labrador met de vreemde naam Tilly, meegaat. Wat alleen gebeurt als het mooi weer is – Tilly is dol op sudderen in de zon.

Aangekomen stapt Froukje van haar fiets en opent het hekje dat aan het begin van het tuinpad staat. De miniklimroos ‘Guirlande d'Amour' verspreidt haar geur op milde wijze. Froukje leert van Tante Marie steeds meer over de bloemen en planten, maar rozenstruiken zijn haar lievelingsplanten. Als ze later groot is, wil ze een tuin met alleen maar oude rozensoorten. Geesje volgt Froukje over het pad. In de deuropening staat tante Marie al te wachten. Op de eettafel voor het raam zien de meisjes de pot thee en een schaaltje koekjes. Elke week trakteert tante Marie de meisjes op deze wijze.

Tilly steekt haar neus nieuwsgierig in een grote plantenpot.
‘Ben je je tennisbal kwijt, Til?’ Tante Marie zit op een houten bankje. Belangstellend kijkt ze hoe Froukje samen met Geesje in de bloemperken, tussen de boerenhortensia’s en de pluimlavendel, druk zijn met onkruid verwijderen. In het midden van het perk staat een witte seringenboom uitbundig te bloeien. Het beeld is idyllisch en precies zoals ze zich het voor de aanleg had voorgesteld. Voorzichtig staat ze op en buigt zich over de pot. Tilly duwt dwingend tegen haar arm.
‘Kijk uit, straks val ik nog.’
De hond kijkt haar vragend aan. Dan tovert tante Marie de gezochte bal te voorschijn. Dolblij holt Tilly het veld in, waar ze wacht op de bal die haar zo wordt toegeworpen. Na deze met haar bek te hebben opgevangen loopt ze op een drafje terug naar haar bazin en legt ‘m aan haar voeten. Met haar ogen lijkt ze te vragen, nog een keer! Tante Marie gooit keer na keer, Tilly is onvermoeibaar.
‘Froukje! Geesje! Kunnen jullie even met Tilly spelen?’
‘Tuurlijk muoike!’ Uitbundig lopen de meisjes op Tilly af.
‘Geef op die bal, Tilly.’ Geesje wacht rustig tot de hond de bal op de grond laat stuiteren en pakt ’m dan snel af.

Met een zoef verdwijnt de tennisbal uit het gezichtsveld. Tilly vliegt er enthousiast blaffend achteraan. Tante Marie kijkt naar het spel tussen de kinderen en de hond. Nog elke dag is ze blij dat ze de ouders van Froukje en Geesje heeft leren kennen. Door hen, kort nadat ze in de stad waren komen wonen, te helpen met de Friese taal zag zij ze in het begin elke dinsdag. Toen Froukje en Geesje eenmaal geboren waren en zij, ondanks haar hoge leeftijd, van beiden meisjes peetmoeder werd, kon ze genieten van het familiegeluk dat haar niet eerder ten deel was gevallen.

Tegen het einde van de middag zwaait Tante Marie de meisjes na. Omdat ze vanmiddag door het dorp zijn gefietst, besluiten ze door de weilanden terug te gaan – hopend een haas of konijn te spotten. Ook willen ze nog even bij de jonge geitjes van boer Jongstra kijken. De eerste weken nadat de lammetjes geboren waren, mochten ze van vrouw Jongstra regelmatig de dieren de fles geven. Binnenkort verdwijnen de kleintjes naar de veemarkt waar zij hopelijk een nieuw thuis zullen vinden bij mensen die goed voor ze zijn. Helaas was er achter het huis van Froukje en Geesje niet genoeg ruimte om één te adopteren. Hoe ze ook hadden gesmeekt, de vaders waren onverbiddelijk.

Langs de randen van het fietspad staan fluitenkruid, pinksterbloemen en koolzaad uitbundig te bloeien. Gehaast trappen de meisjes verder richting de geitjes. Boven vers gemaaid gras trilt de lucht in de warmte van de zon.

Even wachten Geesje.’ Geesje kijkt achterom en ziet hoe haar vriendin, met het fietsframe tussen haar benen geklemd, haar vestje uittrekt.
‘Pff, het is warm!’
Geesje fietst een stukje terug naar haar vriendin die ondertussen met een rood aangelopen gezicht, druk doende is haar vest tussen de snelbinders van haar bagagerek te proppen. Vlak voor Geesje zich bij haar aansluit, ontdekt ze tussen de wilde bloemen enkele klaprozen. Wat zal haar moeder daar blij mee zijn! Snel legt ze haar fiets aan de kant van de weg en loopt op het polletje papavers af. Zorgvuldig plukt ze de mooiste exemplaren. Met een stukje touw dat ze in haar jaszakje vindt, bindt ze de tere steeltjes voorzichtig samen waarna ze het bosje aan haar stuur bevestigt.
‘Kom op joh! Anders kunnen we niet meer langs boer Jongstra!’
Geesje ziet dat Froukje op haar fiets stapt. Nadat de trappers één keer rond zijn gegaan stopt ze weer.

Wat is die nou aan het doen?’
Samen kijken ze naar de jongen die in de tochtsloot staat.
‘Hij heeft een meisjesonderbroek aan …’ Geesje begint te giechelen.
‘Dat is vreemd.’
Stil kijken ze naar het tafereel dat zich voor hun ogen afspeelt.
‘Zou hij die dief zijn? Weet je wel, waarover iedereen smoest als er weer eens was van de lijnen is verdwenen?’ Froukje verbreekt zachtjes de stilte.
‘Ik ken’m van school. Daar heb ik hem weleens zien rondhangen,’
Geesje knijpt haar ogen toe om de zon buiten te sluiten. Even verderop zie ze de kleren van de jongen – keurig opgestapeld. Haar ogen glijden terug en blijven liggen op de gestalte van de jongen.
‘Nu weet ik het. Dat is die jongen van wie het zusje dood is.’ Even denkt Froukje terug aan de verhalen die daarover de ronde deden.

 
What do you want to do ?
New mail
 
What do you want to do ?
New mail
Wij maken op deze website gebruik van cookies. Een cookie is een eenvoudig klein bestandje dat met pagina’s van deze website wordt meegestuurd en door uw browser op uw harde schrijf van uw computer wordt opgeslagen.