Vrijdagnamiddag

Ontmoeting

De geplette eierschalen prikken in zijn voet. Langzaam verspreidt de struif zich rond zijn voetzool – het eigeel klimt tussen zijn tenen omhoog. Gefascineerd door deze gewaarwording staart Jelle naar zijn voet tot hij wordt afgeleid door een luid gegil dat boven hem door de lucht snijdt. Het is de alarmroep een van grutto. Zou hij zojuist haar eieren vertrapt hebben? De jongen tilt zijn voet op en veegt de smurrie af aan het hoge gras. Een oranjetip vlindert boven de pinksterbloemen die zacht staan te wuiven in de wind. Alsof God ze aait. Maar is de God die de jongen elke zondag verplicht moet eren, hier wel?

Aan de oever van de sloot haalt hij behoedzaam het roze gekante broekje uit zijn broekzak. Het moest mee. Nu moet hij zorgen dat het net zo schoon blijft als toen hij het meenam van de waslijn van vrouw Jongstra. Of zal hij het aantrekken? Met het frèle stuk stof in zijn hand geklemd worstelt de jongen zich uit zijn broek en trui. Schichtig verruilt hij zijn afzichtelijke blauwe onderbroek voor het meisjesexemplaar. De stukjes verdroogde struif, die de huid van zijn voet straktrekken, ergeren hem. Langzaam steekt hij een teen in het water. Het voelt koud, maar hij zet door. Zijn voetzool raakt de drassige bodem – kleine vissen zwemmen geschrokken door deze invasie, weg. In gedachten ziet de jongen zijn opa op de kant zitten. Hengel in z’n ene hand, sigaar in de andere. Of het beeld klopt, weet hij niet. Hij heeft ze gefantaseerd bij de verhalen die zijn opi vaak vertelde. Over de armoede bij hem thuis. De vis die hij ving was een extraatje voor het avondeten op vrijdag. Altijd alleen op vrijdag. Zo schrijft de kerk het voor. Wat zou Jezus de rest van de week gegeten hebben? Even ziet hij zichzelf weer voor de spiegel in zijn kamer staan. Zijn grove lichaam met daarboven het evenbeeld van zijn opi. Met zijn tweede voet nog steeds op de kant, alsof het een apart deel van zijn lichaam is, blijft hij in zichzelf gekeerd staan. Piekerend over de woorden van dokter Kingsma. Zouden er echt twee Jelle’s bestaan? En loopt die scheiding dan verticaal door zijn lijf? Nee, dat kan niet. Bij elke woedeaanval voelt hij de spanning overal. Niet vooral links, rechts, boven of onder. Niet ver van zijn uitgetrokken kleding ziet Jelle een stok liggen. De jongen pakt de stok op en slaat in op het versgemaaide gras – een stofwolkje stuift op.

Stomme dokter! Wat weet hij er nou van! Stom, stom, stom! Hangt zijn hele leven boven de boeken en denkt te weten wat ik voel!’ De razernij die bezit neemt van zijn lichaam zoekt een uitweg.

Ineens staan ze er, de twee meisjes uit het dorp. Buurmeisjes. Hij keek weleens toe als hun moeders ze bij school afzetten. Jelle ziet hoe de meisjesogen vliegensvlug van zijn lichaam naar het hoopje kleding dat hij langs de sloot heeft gelegd glijden. Nu rusten ze weer op hem. Vragend en angstig tegelijk. Wat zouden ze zien? Dezelfde rare jongen die moeder altijd ziet? Voelen ze dezelfde walging? De jongen hoort ze zachtjes giechelen. Het elastiek van zijn onderbroek voelt ineens strak. Alsof het zich aanpast aan zijn stemming. Gespannen frunnikend aan het lusje dat eens een sierlijk strikje was, vraag hij zo rustig mogelijk: ‘Komen jullie ook zwemmen?’
Synoniem schudden ze met hun hoofd, nee.
‘Nu volhouden, niet weg laten gaan.’ Hoort hij nu de stem van de andere Jelle? Gedwee doet hij wat de stem hem opdraagt. Een nieuwe vraag verlaat zijn mond.
‘Waarom niet?’
‘Dat mag niet. Het water is vies.’
Met een uitnodigend gebaar stapt hij op de walkant en loopt op de meisjes af.
‘Kom, het water is niet vies. Het is juist lekker.’
‘Nee.’
Jelle’s opgefokte gevoel neemt toe.
‘Gek hè, wij wonen in dezelfde stad maar ik weet jullie namen niet’, probeert hij. ‘Willen jullie die vertellen? Wacht, ik begin. Ik ben Jelle. Nu jullie.’
‘Ik ben Geesje en dat is Froukje.’ Met haar wijsvinger priemt Geesje eerst in haar eigen borst. Alsof er nog meer kinderen aanwezig zijn, wijst ze daarna naar haar vriendin.
‘Geesje en Froukje. Mooi! Komen jullie mee zwemmen?’
De jongen zucht van opluchting. Froukje is van haar fietst afgestapt. Gaan ze met hem mee? Dan ziet hij hoe Geesje aan het stuur van haar fiets draait, richting dorp.
‘Niet weglaten gaan!’ Daar is die binnenstem weer.
‘Gaan jullie weg?’ De jongen probeert zijn stem kalm te laten klinken.
Alweer schudden ze alleen met hun hoofden. Ze tergen hem.
‘Houdt ze tegen!
‘Ik zag daarnet een gruttonest. Hebben jullie dat al eens gezien?’
Weer dat nee schudden. Of ziet Jelle nu toch nieuwsgierigheid opbloeien bij de meisjes?
‘Willen jullie het zien?’

Zonder antwoord gooit Froukje met een zachte plof haar fiets in het gras. Over het gezicht van Geesje trek een zweem van vertwijfeling. Dan volgt ze het voorbeeld van haar vriendin. De klaprozen, zonet nog vastgebonden aan het stuur, raken als eerste de grond. Geesje bukt en bevrijdt het boeketje vanonder het ijzer. Met haar knuistjes om de stelen loopt ze op de jongen af. Hij heeft hun vertrouwen gewonnen. Na even dwalen door de weilanden vertelt Jelle de meisjes dat hij het gruttonest niet weet terug te vinden. Teleurgesteld lopen ze met het hoofd naar beneden terug richting hun fiets.
‘Verzin iets!’
Direct belooft Jelle ze een nieuw avontuur.
‘Toen ik net in het water stond, zag ik kikkervisjes. Willen jullie die zien?’
Verheugd over dit nieuwe plan knikken ze hem instemmend toe. Kikkervisjes! Vorig jaar had Frouke er een paar in een aquarium gedaan, tot de kikkertjes te groot werden. Wat was ze verdrietig geweest toen haar vader besliste dat ze los gelaten moesten worden. Dat gebeurde niet ver van de plek waar ze nu is. Blijmoedig lopen ze gedrieën terug naar de tochtsloot.
‘Wie het eerst de kikkervisjes ziet, heeft gewonnen!’
Jelle leest de spanning op de gezichten van de meisjes – wie gaat er winnen?
‘Daar! Kijk Froukje, daar!’ Froukje herhaalt dezelfde woorden naar Geesje. In Jelle’s gedachten doemt ineens zijn zusje op. Hij had veel liever dit spelletje met haar gespeeld. Hij ziet het kleine meisje voor zich – lijkbleek in het kleine kistje. Moeder had haar mooiste trappelzak speciaal voor de gelegenheid gewassen. Lobke, die door haar dood een wangedrocht van hem had gemaakt. Nog voor de meisjes het in de gaten hebben pakt Jelle van beide meisjes een handje en trekt ze mee het water in. Dat zulke kleine wichtjes zo kunnen gillen! Om en om duwt hij de koppies onder water, met elke hand een. De meisjes vechten tegen hun beul. Buiten adem hijgend en happend naar lucht, slaan en trappen ze om zich heen om weg te komen. Te laat. Jelle houdt net zo lang vol tot zijn woede bekoeld is.

Als het donker is, staat de jongen op. Uren heeft hij zitten kijken naar het stukje sloot waarin twee blonde engeltjes ronddrijven. Het bosje klaprozen is getuige van de angst die Geesje gevoeld heeft voor de laatste lucht uit haar lichaam werd geperst. Met gebroken steeltjes van het knijpen drijven ze langs de walkant. Langzaam trekt Jelle zijn kleren aan. Het broekje met de roze kantjes, besmeurd door wat die namiddag heeft plaatsgevonden, steekt hij opnieuw in zijn broekzak. Even overweegt hij de twee van de meisjes ook mee te nemen. Hij heeft ze nat en vies in het gras gegooit. Zijn hand pakt er één waarna hij zich omdraait en voor de kortste weg naar huis kiest – langs de begraafplaats. Verward kijkt hij even naar het beeld van Jezus aan het kruis – die in het volle maanlicht waakt over de doden. Het tafereel heeft iets angstaanjagends. Zou God hier toch zijn? Zou hij zijn aanwezigheid kenbaar willen maken door juist zijn Zoon zo uit te lichten? Gaat hij mij straffen? Tegen steentjes schoppend loopt de jongen verder. Aan de buitendeur staat zijn moeder al op hem te wachten. Haar handen staan in haar zij, haar blik is koud en hard. Nog voor hij bij haar is, begint ze te praten.

En waar heb jij gezeten? ’t Is al na negenen!’
Jelle’s antwoord wacht ze niet af.
‘Er worden twee meisjes vermist, al gehoord?’
De jongen knikt met zijn hoofd. Op dezelfde manier zoals Frouke en Geesje uren geleden tegen hem knikten – behoedzaam. Door Jelle’s hoofd dreunt één zin: ‘Ze moeten hem vermoorden!’ Het is zijn innerlijke stem. De jongen herhaalt de woorden hardop.
‘Wie? Wie moeten ze vermoorden?’
Met één hand grijpt Jelle’s moeder hem bij de arm en sleurt hem mee het huis in.
‘Heit is helpen zoeken. Nou, vertel, wie moeten ze vermoorden?’
‘Is hij mijn heit wel?’ De vraag vliegt als gif in het gezicht van zijn moeder.

 

 

 
What do you want to do ?
New mail
Wij maken op deze website gebruik van cookies. Een cookie is een eenvoudig klein bestandje dat met pagina’s van deze website wordt meegestuurd en door uw browser op uw harde schrijf van uw computer wordt opgeslagen.