Ik bezit een karaktereigenschap waar ikzelf een grondige hekel aan heb: alles goedpraten. Zo belandde ik vorige week op een koud en hard onderzoeksbed voor het maken van een echo. De reden laat ik voor u onbekend. Wel kan ik verklappen dat de echolaborant het talent efficiëntie zeker niet had.

Na een vlotte screening van rug en rechterzijde was links aan de beurt. De uiterste voorzichtigheid waarmee het onderzoek tot dan toe was uitgevoerd veranderde plots in een hardhandige mishandeling. Vanuit mijn ooghoeken zag ik hoe een geërgerde echolaborant een hele fles gel leegkneep. Mijn vraag: ‘Gaat het goed?’ leek me dus zeer terecht. Direct na haar antwoord: ‘Ik kan uw nier niet vinden,’ gingen de radertjes in mijn hoofd driftig op zoek naar het waarom ze mijn dossier – dat uitpuilt van de gegevens – vooraf niet had doorgenomen. Was het dé tijd van de maand? Had ze slecht geslapen? Of, ook mogelijk, was haar vriendje er soms vandoor? Kortom, redenen te over en eerlijk is eerlijk, ik heb ook zo mijn mindere dagen. En ja hoor, daar ging ik weer. Geruststellend hoorde ik mezelf zeggen: ‘O dat ligt niet aan u, die heb ik gewoon niet,’ waarop uit de mond van de onderzoekster een ademstoot ontsnapte die mij bijna van het bed blies.

Een paar weken na deze molestatie – mijn lichaam zat weer enigszins in de plooi – werd ik voor de uitslagen in het ziekenhuis terugverwacht. Gespannen liep ik het kantoor van de neuroloog binnen. Na een kort welkom richtte hij zijn blik op het beeldscherm. ‘Zo mevrouw Dijkgraaff, eens kijken, ah ja, ziet er goed uit!’ Enthousiast draaide hij het scherm mijn kant op zodat ik oog in oog kwam te zitten met een witgrijze massa die voor mijn binnenkant moest doorgaan. Het was zo’n moment dat sommige dokters vergeten dat je een patiënt bent en géén collega. Met een pen tikte hij hier en daar op het beeldscherm, Latijnse woorden volgden elkaar in rap tempo op. Ik luisterde, sloeg vragen op. Totdat ik de man ineens hoorde vragen: ‘Weet je dat je geen linker nier hebt?’
Met een tak, tak, tak kwamen mijn radertjes op stoom.
Zou hij het te druk hebben? Misschien et cetera, et cetera … 
Het enige antwoord dat ik kon verzinnen was: 'Tja, dat is al een tijdje zo.’

Wat denkt u, zou een assertiviteitstraining een oplossing zijn?

© Sophie Dijkgraaff