Plotseling verbreekt Nina de stilte: "Heb je dat ook gezien?"
"Wat?"
"Een wild zwijn langs de weg!"
"Schoenen uit," zegt Nina opgewekt.
Ik kijk naar het bospad.
"Serieus?"
Nina knikt.
"Je weet zeker dat dit ontspannend is?"
"Absoluut."
Ik kijk naar het bospad alsof Nina zojuist heeft voorgesteld om op blote voeten over Lego te lopen.
“Gaat het, mevrouw?”
Een man buigt zich over me heen.
"Ja... volgens mij wel."
Bloed druppelt van mijn kin en uit mijn oor op mijn hagelwitte T-shirt. In mijn linkerbroekspijp verschijnt een rode vlek.
Verdikkeme. Dat shirt was nieuw.
Naast me ligt de boosdoener: de stalen buis van een bussluis. Zonder één schrammetje.
"Ik bel een ambulance."
“Gaat het?”
“Nee.”
Daar bleef het bij. Het bagagerek kraakte onder de koffers die hij erop probeerde te stapelen. Achter hem stonden de dubbele balkondeuren open. De rivier de Arc klaterde vrolijk voorbij. Ons hotel deed een stuk minder zijn best. De laatste renovatie had plaatsgevonden toen cassettebandjes nog modern waren.
In mijn hoofd buitelen de vragen over elkaar, ik spreek ze niet uit. Mijn ogen glijden over een rek vol folders: Laat nierpatiënten overleven, Je nieren zijn je leven. De stem van mijn zus trekt me terug naar de werkelijkheid. Eén woord tolt als een mantra door de spreekkamer: niertransplantatie.
Vroeger keek ik zonder blikken of blozen naar detectives waarin de meest gruwelijke moorden werden opgelost. Dokter Nikki Alexander legde in Silent Witness een vrouwenhart op de weegschaal: “Two hundred and fifty grams.” Daarna volgden longen, maag en darmen. Met een scalpel sneed ze alles open en legde het onder de microscoop. Terwijl zij zocht naar kogels, gif of resten van het laatste avondmaal, zat ik op de bank rustig een bakje borrelnootjes weg te knabbelen. Geen centje pijn. Ik keek ongestoord verder.
"Nog vijf dagen en dan hup, naar Schiphol. Drie weken spaghetti, pizza en mocktails."
Nina glundert. Ik kijk haar met gezonde jaloezie aan. Zij zit al half in Italië, ik sta nog in de keuken. Wat zou ik graag meegaan, slenteren door de straten van Firenze.
"Hou toch op!"
Ver na middernacht prikken de oranje cijfers van de wekker in mijn ogen. Ik rol van rechts naar links. Van links naar rechts. Precies onder mijn slaapkamerraam besluit een kikker dat de liefde niet kan wachten.
Ik rol weer terug. De kikker houdt vol.
“Je hebt er toch niet wéér een meegenomen?”
De woorden vallen harder in de wachtkamer dan bedoeld. Tegenover me zit een vrouw van een jaar of zestig. Naast haar een dochter die verdacht veel op haar lijkt, maar dan met een telefoon in plaats van een handtas op schoot.
“I have a dream!”
De woorden stuiteren door de metrowagon. Hoofden komen los van schermen. Een jongen in een trainingspak leunt achterover en schreeuwt tegen zijn telefoon.
“Martin Luther King, bro. Ken je die?”
Aan de andere kant van de lijn volgt waarschijnlijk stilte.
De jongen praat door. Over respect. Over elkaar accepteren. Over niet meteen oordelen op uiterlijk. Zijn stem prikt, als een wijzende vinger.
“Kun je je baas niet even roepen?”
De motorkap geeft een zachte tik bij het openspringen. De man — beige bodywarmer, zonnebril op het hoofd ondanks de regen — kijkt niet naar mij maar de garage in. Op zoek naar een man met gezag. Of een snor.
Een opruimbui meldt zich bij mij altijd ruim vóór de koffie: midden in de nacht. Dan lig ik in bed en bedenk ineens dat ik eindelijk die kast eens moet aanpakken. Niet morgen. Nu. In gedachten sorteer ik alvast stapels, gooi rigoureus weg en bouw opbergsystemen waar Marie Kondo van zou gaan hyperventileren. Tegen de tijd dat buiten de zon opkomt, heb ik alles perfect op orde gebracht. Ik draai me nog eens tevreden om en denk: straks begin ik echt.
“Stop! Dat is voor leer.”
De schoenenverkoper grijpt me half in paniek weg bij de elektrische schoenpoetser.
Te laat. Onder de ronddraaiende borstels hangt wat ooit een suède laars was. Nu bungelt er iets dat eruitziet als een geschoren cavia. Midden op de neus gaapt een kale plek ter grootte van een euromunt.
De stem knalt over het water. “Ja maar dat zei ik toch!” Daarna volgt iets over quinoa en grenzen stellen. Aan de overkant marcheert een vrouw in een rode jas driftig heen en weer, telefoon aan haar oor.
“Daaaag.”
Nee, toch nog niet klaar.
“Martijn, ik ga ophangen!”
“Doe dat dan,” mompel ik tegen mijn koffie.
De deur klapt dicht, stoom slaat tegen mijn wangen. Voor me schuift de rij Banja-deelnemers door. Nina en ik sluiten achteraan. Een vrouw komt naast me staan. “Op je buik graag.” De bank blijkt een pijnbank. Mijn wreven schuiven langs het hout. Mijn borsten protesteren hardnekkig. Ik draai op mijn zij. Dan op de andere. Ontspannen lukt niet.
De vlaggetjes klapperen al dagen tussen de lantaarnpalen. Rood-wit-blauw wappert op het stadhuis. Rondom de delicatessenwinkels hangt de geur van Friese lekkernijen als sûkerbôle en Fryske dúmkes. Dokkum poetst zich op voor hoog bezoek: de koning komt langs. Bij het horen van de stadsnaam opent er een luikje naar het verleden.
Ik schuif mijn linker mouw langzaam omhoog. Boven me zoemt het TL-licht, onverstoorbaar. De plastic zitting van de stoel kraakt zacht wanneer ik mijn gewicht verplaats. De geur van desinfectiemiddel hangt in de lucht, scherp en licht zoet tegelijk. Mijn hand balt zich tot een vuist. De naald komt dichterbij. Even hangt de spanning stil in de lucht.
Plots ben ik weer vier.
Met een winkelwagen vol koffiecapsules waar een klein buurtcafé moeiteloos een week op zou draaien, manoeuvreerde ik mijn kar richting de zelfscan. Zo ver is het dus gekomen.
Ze komt aanhollen met een mand vol paaseieren, haar roze schortje stuiterend tegen haar buik. Grote oren priemen door het rieten hoedje op haar kop. Achter haar aan hobbelen mini’s: ‘jongetjes’ in tuinbroeken, ‘meisjes’ in witgebloemde jurkjes. Ik druk op het hartje. Dom. Het algoritme grijpt zijn kans. Het ene filmpje na het andere dendert voorbij. Overal konijntjes die paaseieren beschilderen, hun holletjes optuigen met slingers en bloemen. Precies het soort onzin waar ik voor smelt.
De kassabon zit nog tussen de eerste pagina’s als ik het blad opensla. Bij Bruna griste ik het glossy van de stapel. Ik had net Alles wat er is van Inge Duin uit. Zo’n verhaal dat blijft hangen.
Dus: nu iets luchtigs. Geen familiegeschiedenis die generaties doorsuddert, geen geheimen die pas op pagina 243 opduiken.

