Mijn moeder had een strak weekschema: maandag wassen, dinsdag stoffen, woensdag boenen. Of iets in die trant – precies weet ik het niet meer, ik was kind. En kinderen hebben belangrijkere zaken te doen: buiten spelen en strategisch spruitjes ontwijken tijdens het avondeten.
Al dagen zie ik het voor me: lange zomeravonden op mijn balkon. Een glas chardonnay of gin-tonic binnen handbereik, de lucht zwaar van de geur van kamperfoelie. Klinkt perfect, toch? Klein detail: die bloemen ontbreken nog. Tijd voor actie, want wachten tot morgen of het weekend om naar het tuincentrum te gaan? Echt geen optie. Ik wil die plant nú.
Het voorjaar is meer dan alleen het moment om zomerbloeiers zoals gladiolen, dahlia’s en canna’s in de grond te stoppen. Het is ook dé tijd om je planten en bomen een ‘kappersbeurt’ te geven. Afgelopen week besloot ik deze klus aan te pakken. En zoals altijd: eenmaal de startknop gevonden, ben ik niet meer te stoppen.
Op een terrasje in de stad geniet ik samen met Nina van de lentezon. Eerder heb ik bij een boekendiscounter een album vol botanische prenten gekocht. Terwijl we wachten op onze bestelling, sla ik het boek open. Op de eerste pagina’s prijkt een bloem die op mijn balkon helaas weigert te schitteren: de Passiflora. Je zou denken dat hij vernoemd is naar een vurige liefdespassie, maar nee: de delen van de bloem symboliseren de kruisiging van Christus. Niet bepaald romantisch.
Terwijl ik door Instagram scroll, trekt een foto mijn aandacht. Een witte klimroos buigt sierlijk over een toegangspoort, haar bloemen hangen als een zachte sluier over het verweerde hout. Het tuinpad, met links en rechts blauwe lavendel, slingert naar een klein huisje met een groene voordeur. Dit prachtige tafereel brengt me terug naar de tuin die mijn vader en ik samen onderhielden.
Maandagochtend. Mijn laptopscherm lichtte op terwijl de maan nog hoog aan de hemel stond en de zon aarzelend achter mijn huis vandaan kroop. Rond de vijver werd het langzaam levendig: de ganzen hielden een luidruchtige teammeeting, een merel dropte zijn nieuwste hit. Met een slok dampende koffie keek ik naar deze gratis ochtendshow. In de verte ontwaakte de stad – mensen haastten zich naar hun werk, kinderen vertrokken naar school. Een buurtkat sloop als een undercoveragent richting de vijver.
Ik zie hem nog voor me: een klein mannetje met blozende wangen en een ondeugende grijns. Onder zijn verbleekte groene puntmuts, versierd met een fazantenveer, piekte een pluk grijs haar eigenwijs naar buiten. Zijn veldjas spande om een dikke buik, strak aangesnoerd met een bruine ceintuur, waaraan een drinkbeker bungelde. De rest van zijn outfit? Een knickerbocker, robuuste wandelschoenen en een geweer nonchalant over de schouder. Piggelmee was klaar voor de jacht.
Scrollend door mijn Instagram voelde ik een venijnige steek van jaloezie. Het voorjaar nadert en dat betekent voor hobbytuinders: tijd om in de stemming te komen door foto’s van vorig jaar te delen. Mijn feed ontplofte zowat van de uitbundige balkons en tuinen vol hyacinten, narcissen, krokussen en tulpen in alle kleuren van de regenboog.
Elk stukje grond was precies één bij anderhalve meter, keurig aangelegd als een kleurige lappendeken. Daarna kwamen de schooltuintjes, die er beduidend minder mooi uitzagen. Om daar te komen, liep ik over een recht pad, langs paaltjes met kranen en boswachtersgroene tuingieters. Aan het einde lag mijn stukje Rotterdam.
In mijn kleine pan passen precies 75 middelgrote spruitjes. Ja, ik heb dat geteld. Het is precies genoeg voor twee personen, mocht je ooit een intiem spruitjesdiner organiseren. Om van mijn woonkamer naar het toilet te komen, zet ik veertien stappen. Op de douchemuur prijken zestien witte tegels op een rij. Ik weet wat je denkt: "Eh … wat ben ik in vredesnaam aan het lezen?" Maak je geen zorgen, je bent beland in de wondere wereld van mijn dwangmatige telgekte.
In een traag voortschuivende file reden we over de Ponte della Libertà, de brug die het vasteland met Venetië verbindt. Links raasde een trein voorbij, rechts had ik uitzicht op de lagune die de drijvende stad omarmde. Terwijl mijn vriend op de weg lette, vertelde ik hem wat ik zag: een wateroppervlak dat met elke beweging van de auto van tint veranderde, van lichtblauw naar zilver. Watervogels fladderden voorbij, hun vleugels een levendig contrast tegen de rustige achtergrond.
Bladeren of scrollen door oude foto’s, daar geniet ik van. Vooral vakantiekiekjes brengen mijn herinneringen weer tot leven. Vorige week zat ik met mijn vriendin Nina op de bank het fotoboek door te spitten dat ik maakte na ons weekje samen in Duitsland. Cochem, een charmant stadje aan de Moezel, om precies te zijn.
De sneeuw kraakte onder mijn voeten toen ik het busje uitstapte. Nadat ik negen uur lang opgepropt had gezeten in een te krappe stoel, kwamen we eindelijk aan bij ons hotel in Kitzbühel. Mijn allereerste wintersportvakantie voelde vanaf het eerste moment als een droom. De Kitzbüheler Horn en de Wilden Kaiser staken imposant boven het landschap uit, hun toppen gehuld in een stralend witte mantel. Wat een uitzicht! Mijn ogen gleden over de balkons van het hotel die schitterend versierd waren met kerstlichtjes. Ik stelde me voor hoe diezelfde balkons in de zomer vol zouden hangen met felgekleurde geraniums. Het was het perfecte Oostenrijkse plaatje, precies zoals in de folders.
Langs de haven stonden pastelkleurige huizen opeengestapeld als macarons, alsof een patissier ze met zorg had gerangschikt. De zee, een schilderachtig palet van turquoise en diepblauw, glinsterde als een sieraad onder de stralende zon. Terwijl ik de omgeving in me opnam, voelde ik die vertrouwde kriebels: puur geluk. Parga leek zo uit een sprookjesboek geplukt.
Hoe begin jij 2025? Ga je groot feesten, of houd je het klein? Bij mij geen vuurwerk, oliebollen of appelflappen – geef mij maar een bitterbal. Goede voornemens? Die laat ik aan anderen over. Wat ik wél klaar heb staan: bubbels. Ik weet: klokslag twaalf verandert niets, maar een feestwijn smaakt altijd.
Hoe leit dit kindeke was het eerste liedje op onze kerstplaat van De Leidse Sleuteltjes. Die werd traditiegetrouw opgezet zodra mijn vader begon aan zijn jaarlijkse klus: de stam van de kerstboom passend maken voor de standaard. Hoorden we vanuit de keuken een vreugdekreet, dan wisten we: de boom stond. Het versieren kon beginnen!
Direct na het boeken van ons hotel begon de voorpret. Mijn vriendin Nina en ik struinden vol enthousiasme het internet af naar bezienswaardigheden in Lille en omgeving tijdens de kerstperiode. Het voelde alsof we een schatkist openden. Binnen no-time hadden we een ellenlange lijst, veel te veel voor een weekendje weg!
Toen ik een klein meisje was, kreeg ik behandeling voor een Wilms-tumor, een vorm van kinderkanker. In die tijd was het allesbehalve vanzelfsprekend om te overleven; ik had geluk. Nu, meer dan vijftig jaar later, zijn de overlevingskansen gelukkig veel groter.
Het vliegtuig stuiterde over de landingsbaan, alsof het twijfelde of het wel echt wilde landen. Mijn zus ving mijn blik, waarin paniek snel plaatsmaakte voor opluchting. Toen we stilstonden brak applaus los, ooit een vanzelfsprekende ode aan de piloot. Nu is vliegen zo gewoon als een brood halen bij de bakker; niemand denkt er nog aan te klappen.
De griep had me geveld. Mijn hoofd bonkte alsof er een samba-orkest in speelde en mijn keel voelde aan als schuurpapier. Zappen was de enige lichamelijke beweging die ik op kon brengen, van de ene tv-zender naar de andere; niets drong tot me door. Naast me trilde mijn telefoon. Een appje van Nina: ‘Hé Sophie, lig jij ook nog plat?’ Voordat ik antwoord gaf, kwam er een tweede bericht binnen: ‘Ik wandel door Barcelona!’

