Met een winkelwagen vol koffiecapsules waar een klein buurtcafé moeiteloos een week op zou draaien, manoeuvreerde ik mijn kar richting de zelfscan. Zo ver is het dus gekomen.

Eerst werden gas, brood en eieren ineens een stuk duurder. Gewoon van die basale dingen waarvan je toch zou hopen dat een mens ze nog enigszins zorgeloos kan inslaan. En nu is ook koffie definitief afgegleden van levensmiddel naar luxeproduct. De prijs van een pak koffiecapsules is inmiddels zo buitensporig dat huize Dijkgraaff langzaam maar zeker richting koffiearmoede schuift.

Ik weet heus wel wat je nu denkt: het is maar koffie. En dat klopt ook. Alleen is koffie wel mijn aller-, aller-, allerliefste drankje. Nou ja, samen met gin-tonic. Maar dat giet ik, in principe, niet op een doordeweekse ochtend om kwart voor acht naar binnen.

In de supermarkt verdwenen die gedachten vanzelf. De hamsterweken waren aangebroken. Voor mij betekent dat: alles moet mee. Dus schoof ik zonder gêne de halve winkelvoorraad in mijn kar en liep richting de zelfscan, waar zich een klein relationeel drama voltrok.

Voor het apparaat stond een echtpaar dat zichtbaar al geruime tijd niet meer in de fase verkeerde van verliefd samen boodschappen doen. De man hield een pak koekjes onder de scanner alsof hij een explosief probeerde te ontmantelen. Hij draaide het naar links, naar rechts, iets hoger, iets schuiner, nog een keer ondersteboven. Maar het apparaat bleef onvermurwbaar stil. Geen piep.

Zij was het type dat er zelfs in rust uitziet alsof ze iemand elk moment kan afblaffen. Kort blond kapsel, strakke mond, jas tot boven dichtgeritst. De energie van iemand die bij de minste tegenslag al ‘nou láát dan maar’ roept. Ze griste naar het pak koekjes. Mis.

De man keek op alsof hij net uit een lichte narcose ontwaakte. Even kruisten onze blikken en ik voelde direct plaatsvervangende schaamte opkomen. Zo’n warme, ongemakkelijke golf waarbij je spontaan zelf sorry wilt zeggen, terwijl je feitelijk alleen maar in de buurt staat met 84 koffiecapsules en een zak ribbelchips. Zij had daar duidelijk geen last van.

‘Nee, niet zo. God, wat bén jij onhandig.’

Daarna volgde nog een kleine woordenwaterval van liefdeloze kwalificaties die ik uit fatsoen niet letterlijk zal herhalen. De man bleef intussen onverstoorbaar doorprutsen. Geen irritatie, geen tegenreactie, geen enkele zichtbare behoefte om zichzelf te verdedigen. Alleen dat pak koekjes. En een bijna ontroerende overgave aan zijn lot. Dat werkte op haar ongeveer net zo kalmerend als benzine op een barbecue.

‘Ik zie je thuis wel, idioot!’ riep ze uiteindelijk.

En weg was ze. Hakken tikkend over de tegels, jas zwiepend, een zwaar bloemig parfumspoor achter zich aan. Een exit alsof ze net uit een toneelstuk stapte waar alleen zij wist dat het stuk voorbij was.

Ik wilde net mijn eigen noodvoorraad afrekenen toen het antidiefstalpoortje begon te loeien. Dwars door de supermarkt klonk een gil. Mevrouw had in al haar haast één detail over het hoofd gezien: zonder kassabon kom je hier niet ver.

Automatisch keek ik naar haar man. Precies op dat moment verscheen er een kleine, tevreden glimlach op zijn gezicht. Het zelfscanapparaat had eindelijk de streepjescode van het pak koekjes gevonden. Piep!

Ik rekende mijn crisisvoorraad af en dacht: koffie mag dan onbetaalbaar zijn geworden, sommige geluksmomenten krijg je in de supermarkt nog altijd gratis mee.

© Sophie Dijkgraaff

Wij maken op deze website gebruik van cookies. Een cookie is een eenvoudig klein bestandje dat met pagina’s van deze website wordt meegestuurd en door uw browser op uw harde schrijf van uw computer wordt opgeslagen.