De vlaggetjes klapperen al dagen tussen de lantaarnpalen. Rood-wit-blauw wappert op het stadhuis. Rondom de delicatessenwinkels hangt de geur van Friese lekkernijen als sûkerbôle en Fryske dúmkes. Dokkum poetst zich op voor hoog bezoek: de koning komt langs. Bij het horen van de stadsnaam opent er een luikje naar het verleden.

Het was voor ons gezin een traditie: minstens één keer per jaar reisden we af naar de geboortestad van mijn vader. Hij achter het stuur, mijn moeder ernaast, achterin mijn broer, zus en ik. Onderweg vertelde mijn vader dezelfde verhalen, met exact dezelfde pauzes. Alsof ze niet verteld werden, maar zichzelf afspeelden. Zodra de watertoren in beeld kwam, schoten we op de achterbank overeind.
“Kijk, de watertoren!” 

Na zijn dood bleven we gaan. Eerst met stiltes die onprettig voelden. Later met eigen verhalen, die zich zonder moeite vasthechtten aan de oude.

Onze stadswandeling  begint altijd op de Algemene Begraafplaats in Dokkum, aan het Damwâldsterreedsje. Mijn pake en beppe liggen er, inmiddels ook mijn vader. Vorig jaar liep ik er met mijn zus en zwager. Zonlicht sneed in smalle strepen door de bomen en streek over het grind. Alles leek stiller dan normaal. Daar begon het vanzelf. 

“Weet je nog dat verhaal van die geit dat hij altijd vertelde?” Mijn zus keek me aan, haar mond al in een lach. Mijn vader, nog een jongen, vond langs de weg een loslopende geit en besloot dat die mee naar huis kon. Om het beest in de schuur te krijgen, moest hij dwars door het huis, via de gang en de keuken. Hoefjes tikten over de tegels. Rustig. Onvermijdelijk. Tot vlak bij de schuur.
Toen klonk de stem van beppe: “Hé jonkje, wat heb je daar?”
Beppe verscheen in de deuropening van de bijkeuken, keek, kneep haar ogen samen… en schoot in de lach. De geit verdween kort daarna weer.
Die geit moest natuurlijk weg.

Mijn zwager grinnikte. De wind trok aan een plastic krans en liet hem weer vallen.

Even later stond ik bij het kruis aan het einde van het katholieke gedeelte van de begraafplaats. Een ander verhaal schoof naar voren. Spertijd. Oorlog. Mijn vader, klein, eigenwijs, nog buiten terwijl het niet mocht. Plots hoorde hij marcherende soldaten. In paniek dook hij tussen de zerken. Toen het weer veilig was, stapte hij achter een grafsteen vandaan. Precies op dat moment brak de maan door. Een kraai schoot krassend van het kruisbeeld omhoog.
Hij rende. Zonder omkijken. Sneller dan hij ooit had gedaan, zei hij altijd.

We lopen verder. De verhalen komen vanzelf, alsof ze klaarstonden. We kennen ze niet uit eigen leven, maar ze zitten in ons alsof ze er altijd al waren.

Net toen ik de laan met bomen uit wilde stappen, het lentelicht in, schoot boven ons een zwerm kraaien op. Vleugels sloegen de stilte open. Een fractie later landde er iets warms op mijn hoofd. Nat. Trefzeker.
Ik veegde, keek naar mijn hand en moest lachen. Weer een verhaal erbij. 

Morgen zit ik met oranjebitter voor de tv. Misschien vliegt er nog iets langs — al is het maar een anekdote van mijn vader. 

© Sophie Dijkgraaff

Wij maken op deze website gebruik van cookies. Een cookie is een eenvoudig klein bestandje dat met pagina’s van deze website wordt meegestuurd en door uw browser op uw harde schrijf van uw computer wordt opgeslagen.