Het smeedijzer bladderde in dunne roestkleurige velletjes. Middenin een rond stukje glas: het spionnetje waarmee oma de straat bespiedde.

Oma’s stoel stond schuin in een hoek waar ze het beste zicht had. Met een kop thee binnen handbereik zag ze de dag voorbijschuiven: fietsers die tegen de wind in trapten, kinderen met rugtassen die veel te groot leken voor hun kleine ruggen op weg naar school. Ze miste niets. Zodra er buiten stemmen klonken die harder werden, verstijfde ze. Dan zei ze zacht maar beslist: “Ga even luisteren.”

Mijn moeder schoof richting de voordeur, sokken glijdend over het zeil. Eén hand op de deurklink, oor tegen het hout. Buiten rinkelde de bel van de tram, de stem van de schillenboer galmde door de straat. Flarden van het gesprek dat oma’s aandacht trok, noteerde ze in haar hoofd.
“En?” vroeg mijn oma dan, zonder haar ogen van het raam te halen.
Mijn moeder haalde haar schouders op en pruttelde het laatste nieuws er achteloos uit.

Dat ik graag opvang wat er om me heen gebeurt, voelt bijna logisch. Ik sta alleen niet achter mijn voordeur. Ik geef de voorkeur aan de makkelijke versie: zittend in een wachtkamer of bus. Ik sla een tijdschrift open en laat mijn oren opvangen wat er voorbij komt. Mensen praten harder dan ze zelf doorhebben.

Dat gluren naar de buren is van alle tijden. Laatst ving ik in de trein een gesprek op. Twee vrouwen zaten tegenover me, stemmen net te enthousiast om privé te blijven. Eén klaagde over haar buurvrouw.

“Dat mens staat de hele dag te gluren,” zei de ene.
“Echt zo’n type?” vroeg de ander.
“Hou op. En als dat niet genoeg oplevert, pakt ze een stofdoek om uit te slaan of kiepert ze de condensdrogerbak leeg. Alsof ze in een dramatische opera meespeelt, maar dan zonder muziek.”
Ze lachten; ik lachte stiekem mee.

Ik gooi die bak gewoon leeg in de wasbak, of in de plantengieter. Milieubewust. Andere mensen lijken de buitenmuur daar geschikt voor te vinden. Net zoals honden die hun territorium afbakenen.

“Ze spreekt met niemand, maar weet alles.”
De dames in de trein hadden het zo over mijn oma kunnen hebben.

Afgelopen week stond ik weer in de straat van mijn opa en oma. Het huis kreeg een grondige make-over: de gevel was schoongepoetst, de karakteristieke houten voordeur had plaatsgemaakt voor een strakke nieuwe, met een spiekgaatje. Dat had mijn oma vast prachtig gevonden.

Toch was niet alles verdwenen.
Naast het raam op de bovenverdieping hing het oude spionnetje – een stille herinnering aan oma. Een gluurspiegeltje dat nu vooral stof vangt.


© Sophie Dijkgraaff