“Schat, ben je thuis?”
Ik loop naar de gang, waar mijn lief zijn schoenen uittrekt. Hij is er weer, gelukkig! Ik plant een kus op zijn mond en pak zijn hand. “Loop eens mee.”
Samen lopen we naar de slaapkamer. Zijn blik is verwachtingsvol. 

“Kijk!” haal ik hem terug uit zijn fantasie. 
Tegen de wand kruipt een grote spin omhoog. Een flinke jongen van minstens twee centimeter.
“Die moet dus weg!”
Mijn lief weet hoe ik denk over alles wat kruipt. Jakkes! Met een teleurgesteld gezicht loopt hij naar de keuken en komt terug met een stuk keukenpapier.

Wat volgt is een rondje acrobatiek. De spin is hem steeds te snel af. Als een hazewind rent hij naar beneden en verdwijnt onder het bed. Even later komt hij er aan de andere kant weer onder vandaan. Precies waar mijn lief met zijn prop papier staat te wachten. 
“Ik heb ’m.”
Hij houdt de prop omhoog en kijkt voorzichtig in het papier.
Van een afstand roep ik: “Je hebt ’m niet!”
Na een paar mislukte pogingen overweeg ik de stofzuiger te pakken, maar loop naar de keuken om koffie te zetten. Doden hoeft ook weer niet.

Vanuit de slaapkamer komt een hoop gestommel.
Dan: “Ja! Nu heb ik ’m echt!”
Met de prop papier loopt mijn lief naar het balkon om het beest buiten te zetten.
“Hoera!”
Voor hij de prop opent, sta ik veilig achter het glas. Eerst zien, dan geloven. Mijn held krijgt een stevige kop espresso. 

’s Avonds lig ik wakker in bed. Aan de ene kant staat het dialyseapparaat te snorren, aan de andere kant lijkt de houtzagerij nachtdienst te hebben. Ik staar naar het plafond.
Dan zie ik hem.
Of haar?

Ik por mijn lief.
“Mmm, wat is er?”
Hij rolt om en kijkt naar het punt op het plafond dat ik aanwijs.
“Had je die spin vanmorgen echt te pakken?”
“Tuurlijk wel. Dit is vast het vrouwtje. Het is herfst, dus paartijd.”
Arm beest.

© Sophie Dijkgraaff