Toen ik mijn lief net kende, ruilde hij mijn roepnaam al snel in voor een koosnaampje.
“Schat, geef je het zout even aan?”
Het klonk lief. Tot ik ontdekte dat hij iedere vrouw in zijn leven schat noemde.
Daar werd het toch minder persoonlijk van.
Ik vroeg hem een andere koosnaam te bedenken. Helaas bleek hij niet bijzonder veel fantasie te hebben. Na Schat werd het Soof.
“Soof? Dat is het?”
Laatst las ik een verhaal van een trouwambtenaar die een aanstaand bruidspaar sprak voor hun trouwspeech. Hij vroeg naar grappige feitjes die hij in de tekst kon verwerken. Natuurlijk kwamen ook de koosnamen ter sprake.
De bruid noemde haar aanstaande man moppie.
Moppie. Niet bijster origineel.
Haar verloofde bleek creatiever. Hij noemde haar zijn MILF. Een afkorting van Mom I’d Like to Fuck. Wel origineel, maar wenselijk? Als mijn lief me ooit zo zou noemen, zou ik toch liever weer gewoon Sophie of Schat heten.
Koosnamen zijn er in alle soorten en maten. Van moppie en honneponnie tot snoezepoesje en tijgertje. Sommige klinken lief, andere alsof je de kat naar binnen roept.
De mooiste koosnaam die ik ooit kreeg, kwam niet van een geliefde, maar van mijn vader.
Hij maakte van Sophie geen Sophietje en ook geen Soof. Hij husselde de letters door elkaar, haalde er een paar weg en voegde er weer nieuwe aan toe. Voor anderen leek die naam nergens op, maar ik herkende hem meteen als de mijne.
Mijn vader is er niet meer.
Maar soms, als ik die naam in mijn hoofd hoor, is het alsof hij weer even naast me staat.
© Sophie Dijkgraaff

