Ik schuif mijn linker mouw langzaam omhoog. Boven me zoemt het TL-licht, onverstoorbaar. De plastic zitting van de stoel kraakt zacht wanneer ik mijn gewicht verplaats. De geur van desinfectiemiddel hangt in de lucht, scherp en licht zoet tegelijk. Mijn hand balt zich tot een vuist. De naald komt dichterbij. Even hangt de spanning stil in de lucht.
Plots ben ik weer vier.
Ik zit op een houten krukje in het priklab van de Dr. Daniel den Hoedkliniek. Het is net te hoog. Mijn benen bungelen zonder ergens bij te kunnen.
“Even blijven zitten hoor,” klinkt het.
De eerste prik volgt. Mis. “Sorry, ik doe dit nog niet zo lang,” zegt ze met een kleine glimlach. Nog een poging. Opnieuw nadert de naald mijn arm.
“Je hebt een mooi bloedvat, “stelt ze tevreden vast. Weer mis. Bij poging drie wisselt ze van arm.
“Dat lukt niet zo goed hè,” zegt ze, terwijl ze de naald even stilhoudt.
Achter haar schuift een collega dichterbij.
“Laat mij maar even,” zegt ze.
Een andere hand. Sneller. Zekerder.
Drie buisjes vullen zich zonder aarzeling.
Deze scène komt bij elk labbezoek terug.
“Ik ben bang voor prikken,” piept mijn stem.
“O, het is zo gebeurd hoor. Je hebt een mooie ader. Ik begrijp je wel hoor,” zegt de laborante. “De tandarts bezorgt mij de zenuwen.”
Ze blijft mijn arm vasthouden terwijl ze verder praat.
“Bij de schooltandarts moest er geboord worden. Zonder verdoving. De pijn was hels. Daarna kreeg ik een spiegel in mijn handen gedrukt met een knopje. Als kind druk je daar natuurlijk nieuwsgierig op. Ineens klonk het geluid van een lachende heks. Ik ben me rot geschrokken.”
Ze lacht zacht. Ik ook. Zo’n verhaal schept ineens iets tussen mensen.
“Zo, dat is klaar,” zegt ze terwijl ze het gesprek afrondt. Ik kijk naar mijn arm. De stuwband knelt nog na, mijn huid tintelt licht. Ze rolt een stuk verband om mijn arm. Strak. Professioneel.
“Ging prima toch?”
Ik knik, wetend dat ik de volgende keer weer net zo bang ben.
Een trauma laat zich niet wegsturen!
© Sophie Dijkgraaff

