In de wachtkamer van de oogarts zitten twee vrouwen te giechelen. Dat valt op. De rest kijkt alsof lachen hier verboden is. Ik kan wel wat afleiding gebruiken en ga naast ze zitten. Zodra ik mijn billen op de plastic stoel laat zakken, is het stil.

Ik richt mijn aandacht op het beeldscherm aan de muur. Nieuws. Oorlog, ellende, ongelukken. Niet bepaald de afleiding waar ik op hoopte tijdens een ochtendje ziekenhuis.
Naast me hoor ik: “Piet is dood. Vreselijk hè.”
“Ja, zeker vreselijk. Ik was bij de begrafenis.”
Het verhaal over Piet volgt. Hartproblemen, lang ziek en uiteindelijk was het op. Ik kijk weer naar het scherm.

“Ineke was er ook. Met haar man. Om haar heb ik zo gelachen.”
“O, vertel!”
Mijn ogen blijven op het scherm gericht. Mijn oren luisteren mee.

“De dienst was mooi. Liedjes, foto’s, een filmpje, speeches. Je kent het wel. Na afloop gingen we naar de parkeerplaats.”
“Ik liep achter Ineke aan. Opeens zie ik dat ze gearmd loopt met een man. Ik dacht: waarom loopt ze niet met haar eigen man?”
“Misschien een bekende?”
“Dat dacht ik eerst ook. Tot ze ineens stopte. ‘Jij bent mijn man niet!’”

De vrouw naast me schiet in de lach.
“Die kerel stond erbij alsof hij net wakker werd. Hij liet haar los en maakte zich uit de voeten.”
“Maar hoe kun je nou zo lang met iemand gearmd lopen zonder te merken dat het de verkeerde is?”
“Geen idee. Maar intussen zijn Ineke’s ogen gelaserd. Met goed resultaat.”

Even later loop ik de praktijkruimte van de optometrist binnen. Na een paar testen blijken mijn ogen goed hersteld van de lensoperatie.
Een hele geruststelling, want voor je het weet, loop je met een vreemde man gearmd naar huis. 

En dan maar hopen dat híj zijn ogen regelmatig laat controleren.

© Sophie Dijkgraaff