Ik sta op de Champ de Mars en staar omhoog. Daar is ‘ie dan: de Eiffeltoren. Mooi? Absoluut. Maar mijn hart maakt een sprongetje van paniek. Dat glazen platform op 57 meter hoogte? Daar krijg je me echt niet op.
Samen met mijn vriend geniet ik van de zon en de drukte in het park. Overal toeristen: de één leest een boek, de ander zit te staren naar z’n telefoon. Kinderen rennen lachend tussen de bankjes door, een bal vliegt rakelings langs een picknickkleed. Ik hoor gelach, geroep, het geritsel van de bomen – echt zo'n typische zomerse sfeer.
Later lopen we naar Place Édith Piaf. Mijn vriend, die erbij kijkt alsof hij op zondag naar IKEA moet, legt zich erbij neer: we gaan haar standbeeld bekijken. Hij heeft niets met La Môme Piaf, ik wel. Toen ik voor het eerst haar nummer Mon Dieu hoorde – dat dramatische liefdeslied voor Marcel Cerdan – stond ze meteen in mijn top 10 van artiesten die me altijd kippenvel geven.
Hij loopt - zoals altijd - voorop. Echt zo’n leider die iedereen de weg wijst. Ik probeer hem bij te houden, hijgend ren ik achter hem aan. Onderweg roep ik - tegen dovemansoren - dingen die me opvallen in het straatbeeld: “Kijk links! Je mist dat prachtige balkon!” Of: “Zie je dat scheve geveltje rechts?” Hij blijft maar doorlopen, met z’n blik recht vooruit.
Terwijl ik zo door de stad hol, overvalt me een oud verlangen: solo-reizen. Geen gedoe, geen discussies. Gewoon ik, de straat en mijn voetstappen. Niemand die het tempo bepaalt.
Waar zou ik naar toe gaan? Griekenland natuurlijk! Lekker ijs eten in Plaka, die oude wijk in Athene. Niet zo’n klein ijsje, maar zo’n mega kleurrijk ding waar je een week op kan teren. Daarna rustig rondkijken in de Byzantijnse Kapnikaréa-kerk, iconen bekijken zonder haast.
En natuurlijk eilandhoppen – zonder dat iemand me meesleept naar een of ander ‘verborgen’ strandje waar ik eigenlijk helemaal geen zin in heb. En maar toegeven: “Oké, als jij dat wil.” Nee, gewoon m’n eigen plan trekken. Vakantie, maar dan op míjn manier.
Stel dat ik het écht doe, hoe vertel ik dat dan? Ik hoor m’n vriend al zeggen: “Gaat dat wel met je gezondheid?” en “Waarom wil je solo reizen?” Nou, het eerste is geen probleem. Dat tweede? Ik las laatst dat solo reizen juist goed is voor je relatie. Even afstand, dan waardeer je elkaar weer meer. En ik word er zelfverzekerder van. Dat kan ik wel gebruiken. Dus hopelijk slikt hij z’n “liever niet” maar gewoon in.
Dan is er nog het praktische: waar slaap ik dan? Ik ken het land wel een beetje – m’n voetafdrukken staan er al in het zand. Verder wil ik niet veel: een goed bed en tavernes dichtbij. Wie wil er nou niet binnen drie minuten bij een restaurant staan met een glas retsina en een bord moussaka? Precies. O ja, en 5G graag. Ik wil wél online kunnen als ik daar op een terrasje zit in een perfecte Insta-setting. Offline zijn in een droomplaatje? Dat is zonde.
“Past zo’n reis eigenlijk wel in m’n budget?” vraag ik me af. Bij het standbeeld van Piaf blijf ik even staan en kijk haar aan. Haar bronzen ogen lijken dwars door me heen te kijken. Geen antwoord.
Terug in ons hotel in Montmartre zegt m’n vriend dat hij gaat douchen – hij is kapot van het wandelen, zweet als een marathonloper. Ik pak m’n laptop en begin meteen te zoeken naar solo-reizen. Er zijn genoeg hotels in Griekenland die perfect liggen, maar dan die eenpersoonstoeslagen… gekkenwerk! Soms moet je dubbel betalen! Alsof je gestraft wordt voor alleen zijn. Wat een onzin.
Achter me gaat de badkamerdeur open. Mijn vriend loopt naar binnen, alleen met een handdoek om z’n middel. Best aantrekkelijk.
“Lief, wat ben je aan het doen?” vraagt hij, alsof hij denkt: ‘Je zit weer op Facebook of zo.’
“O, ik ben alvast aan het kijken voor onze volgende vakantie. Griekenland, lijkt je dat wat?”
Ja, we kibbelen soms wel, maar nu hij zo naast me staat …
Liever samen met m’n mopperkont dan alleen met een toeslag.
© Sophie Dijkgraaff

