De bloemen steken hoog boven me uit: dieppaarse salvia, zonnige rudbeckia, zachtroze akelei en de vurige gloed van een bloedrode cactusdahlia. Tussen dit kleurenspel deinen de halmen van siergrassen mee op het ritme van de wind. Bijen, hommels en vlinders zweven van bloem naar bloem, dronken van nectar. Op een verweerd stenen bankje wast een poes haar vacht met trage precisie. Ik ga naast haar zitten en snuif de mix van bloemengeuren op. De zon schijnt vrolijk, maakt het tafereel compleet. Ik voel me even in een sprookje, alsof ik Alice in Wonderland ben.
Dit tafereel speelde zich af in de tuin bij Nymans House in het Engelse Handcross. Een tijdloos paradijs, aangelegd door de schrijfster en tuinontwerpster Gertrude Jekyll. Zoals altijd wanneer ik zo’n tuin heb bezocht, dringt dezelfde vraag zich op: wat als ik zelf de kans kreeg om mijn droomtuin te maken?
Mijn fantasie begint altijd met een oprijlaan van knisperende kiezelstenen, die met elke stap de hectiek van de stad verder uit mijn hoofd wissen. Aan het einde van die laan, half verscholen tussen het groen, staat het huis dat het hart vormt van het hele perceel: een Tudorhuis, opgebouwd uit witte muren en robuuste eiken binten, onder een rietgedekt dak dat fier de tand des tijds heeft doorstaan. Voor de ramen hangen luiken in diepgroen, dezelfde tint siert de statige voordeur. Langs de kozijnen slingert een blauwe regen innig verstrengeld met zachtroze kamperfoelie. Samen hullen ze het huis, van het vroege

voorjaar tot diep in de herfst, in bedwelmende geuren. Grote terracotta potten vol geraniums, viooltjes en fuchsia’s versterken dat ene gevoel: hoera, ik ben thuis!
Vanuit de hal stap ik de lichte woonkamer in, waar het zonlicht gefilterd wordt door oude glas-in-looddeuren. Achter het kleurrijke glas wacht de tuin, ongeduldig en uitnodigend. Met Pip, mijn cyperse poes die me trouw volgt, loop ik de tweeduizend vierkante meter grote droomtuin binnen. Direct aan het terras van koel, blauw hardsteen waarop witte bougainvillea in verweerde terracotta potten de overgang bewaken, begint een zacht graspad. Aan weerszijden van het laantje staan witbloeiende struiken als spirea, Mexicaanse oranjebloesem en deutzia, die stralen in het zonlicht. In de achtergrond ontvouwt zich een uitbundige bloemenzee in levendige kleuren – een compositie die Gertrude Jekyll ongetwijfeld een glimlach zou hebben ontlokt.
Na de pluktuin strekt zich aan de rechterkant een meer formele tuin: mijn rozenkwekerij, vol met variëteiten van de beroemde David Austin rozen. Ze betoveren met hun romantische uitstraling, volle bloei en een geur zo intens dat ik die het liefst in een flesje zou willen vangen. Rosa Mermaid, een zachtgele klimroos met opvallende meeldraden, slingert sierlijk langs het verweerde houtwerk van een charmant, ouderwets theeprieel. Gelijktijdig met de aanleg van de rozenperken kreeg dit gebouwtje een nieuwe bestemming: een plantenkas, waar ik stekjes verzorg en planten verpot. In de winter biedt het een veilige haven voor mijn kwetsbare rozenstruiken. Toch eer ik ook de oorspronkelijke functie van dit huisje: zodra de zon zich laat zien, drink ik er ‘s middags rustig mijn kopje citroenthee en laat ik het gelukzalige tafereel op me inwerken.
Aan de linkerzijde van het graspad, tegenover de rozentuin, ligt mijn groentetuin. Vroeg in het voorjaar zaai ik de eerste groenten voor: witte kolen, stokbonen, slasoorten, kroppen andijvie, bietjes en courgettes. Na de ijsheiligen krijgen ze een plekje in de voedzame groentebedden. Tussen de groenten bloeien hier en daar vrolijke Afrikaantjes, een natuurlijke verdediging tegen vlinders die op de kool uit zijn. Rondom de groenteperken groeien aardbeiplanten en struiken die in de zomer bakken vol bramen, aalbessen en kruisbessen opleveren. En wat ik écht niet kan missen: tomatenplanten. Hun sappige, volle smaak is zoveel rijker dan die van de supermarkt. Zelfgekweekte tomaten hebben werkelijk de smaak van la dolce vita.
Volg ik het graspad verder, dan bereik ik via een zorgvuldig verborgen poort de ommuurde tuin. Hier domineren witbloeiende planten het beeld: geurige lavendel, wuivende vlinderstruiken, frisse sneeuwforsythia, sierlijke Agapanthus, weelderige hosta en betoverende boerenjasmijn. Ze brengen het hele jaar door licht en leven tussen appel- en perenbomen en het donkergroen van struiken. In het hart van de tuin staat een fontein, waar het zachte gekabbel van stromend water een rustgevende melodie vormt – perfect voor een kleine waterlelie die zachtjes meedeint. Rondom de fontein staan stenen bankjes, gevonden op een brocantemarkt, waar ik graag zit. Vogeltjes komen er drinken of wassen hun verenpak, mij en Pip volledig negerend. Dit stille hoekje van de tuin is mijn toevluchtsoord, een plek om helemaal te ontsnappen: geen nieuws, geen telefoon, alleen rust.
Langzaam vervaagt mijn visioen, keer ik terug naar de realiteit. Ik mag niet klagen, wonen aan een vijver aan de rand van een stadspark is een groot genot. Toch kan ik het niet laten om te fantaseren over een wandeling in de avondzon. Het koele gras onder mijn voeten, de lucht doordrenkt met bloemengeuren en het rustgevende geluid van kabbelend water …
© Sophie Dijkgraaff

