Buiten is het grijs, beetje motregen – niks om je druk over te maken, daar word je amper nat van. Maar jawel, ik fiets de straat nog niet uit en – poef – de hemelsluizen gaan wagenwijd open, vergezeld van een donderklap als extra bonus. Verzopen is een understatement als ik het winkelcentrum bereik.

Ik zet m’n fiets op slot en begin mijn vaste rondje: Appie, bloemenwinkel en dan nog even snel Kruidvat in. Soms scoor je daar een verrassend goed boek voor een paar euro. Maar vandaag is het schap leeg. Ik vraag het na bij een vrouw die vermoedelijk in de winkel werkt – ze draagt zo’n rood jasje. “Boeken?” zegt ze, met de verbazing van iemand die het woord voor het eerst hoort. Productkennis is tegenwoordig blijkbaar geen eis meer.

Terwijl ik een bedankje mompel, valt mijn oog op een vrouw bij het snoepschap. Ultrakort broekje, topje waar net een licht glanzend buikje onderuit piept – en op haar hoofd … een douchemuts. Geen grap. Geen bloemetjes, wel opvallend genoeg om hoofden te laten draaien. Heb ik een nieuwe trend gemist?
Op slag ben ik jaloers.

Wat moet dat heerlijk zijn, om zo over straat te durven gaan en ook nog met zo’n muts op je hoofd – zonder een greintje schaamte. Ik ben daar dus totaal het type niet voor. Ik sta standaard drie keer voor de spiegel voor ik de deur uitga: zit m’n dasje goed? Zit m’n jasje goed? Nou ja, dat dasje is natuurlijk onzin – dat droeg Toon Hermans. Wat hij dan weer niet had: make-up. Zonder een laagje verf zul je mij niet zien. Zelfs niet als ik de vuilniszakken naar de container breng.

Die eigenaardigheden over kleding heb ik van huis uit meegekregen. Naar buiten? Dan moest je er netjes uitzien. En vies worden? Ho maar. Mijn kleding moest brandschoon blijven. Punt.
Behoorlijk onhandig als je een kind bent.

Dat bewijst ook het jongetje dat zijn armpje om het been van de douchemutsvrouw slaat. Zijn gezicht en T-shirt zijn één grote chocoladevlek. En hoe maakt hij z’n mond schoon? Door die af te vegen aan moeders been. Natuurlijk, dat is dé plek! In mijn hoofd hoor ik mijn moeder roepen: “Sophie, wat doe je nóú?!”

Waar mijn moeder die obsessie voor schone kleren vandaan had? Geen idee. Waarschijnlijk heeft zij het weer van haar moeder, en die weer van haar moeder. Sommige gewoontes gaan nu eenmaal van generatie op generatie mee. Zoals de gouden regel: altijd een schone onderbroek aan, je weet maar nooit. Moet je onverwachts naar de dokter, loop je met een vieze broek … Wat moet die wel niet denken? Herkennen jullie dat?

Bij de kassa staat de douchemutsvrouw voor me, haar zoontje bungelend aan haar arm, allebei stralend alsof ze de wereld aankunnen. Een meisje met felblauw haar en een neuspiercing stapt binnen, haar blik zegt: hier ben ik, take it or leave it. Ik kijk om me heen en stel mezelf de vraag: is het thema van vandaag: Mens, durf te leven? Het jongetje kijkt me aan, steekt vrolijk een knuistje op. Ik zie het als een antwoord uit het universum: ja!

Met mijn boodschappen in mijn handen loop ik naar mijn fiets. De spullen verdwijnen in de tassen. Op het dak van de parkeergarage roffelt de regen nog steeds. Buiten zie ik aan de lucht dat wachten tot het droog wordt geen zin heeft. Ik stap op de fiets en laat de regen mijn haar en kleding doorweken. Trappend denk ik na: durf ik ooit zo vrij te zijn? Lekker mezelf, net als die douchemutsvrouw? Laat ik eens een beetje lef tonen. Stap één: een douchemuts scoren. Of zal ik gaan voor blauw haar?

© Sophie Dijkgraaff

Wij maken op deze website gebruik van cookies. Een cookie is een eenvoudig klein bestandje dat met pagina’s van deze website wordt meegestuurd en door uw browser op uw harde schrijf van uw computer wordt opgeslagen.