De dag begint met een moord. Ter verdediging: een moord zonder voorbedachten rade. Hij – of zij, dat zie je niet bij een insect van nog geen centimeter – had gewoon even met zijn vleugels moeten fladderen, zodat ik hem niet per ongeluk verpletterde met een natgemaakte vinger waarmee ik een pluisje wilde oprapen. Met schuldgevoel laat ik het arme beestje nog even spartelen – wie weet komt-ie weer tot leven.

Een paar minuten later belandt hij alsnog in de vuilnisbak – stof zijt gij, en tot stof zult gij wederkeren. Die zin schiet ongevraagd door mijn hoofd. Als je gelovig bent opgevoed, overkomt je dat weleens. Het slaan van een kruisje sla ik over, mijn leesbril zet ik wel op.

Sinds kort loop ik de hele dag met een leesbril rond in huis én in de winkels. Mijn oogspecialist zei dat het geen zin heeft, want staar. De operatie zou snel ingepland worden. Die belofte komt al twee maanden niet verder dan de spreekkamer.

De dokter heeft gelijk. Ook met een leesbril op voelt mijn leven als een kennisquiz zonder prijs – en zonder juiste antwoorden. Vooral de instructies op kant-en-klaarmaaltijden, die in deze vakantieweken op mijn aanrecht belanden, zijn een drama. Resultaat: ik doe maar wat. Tot nu toe gaat het goed – mijn neus vangt zo nu en dan de geur op van Griekse moussaka of Italiaanse lasagne melanzane, smaken van de Méditerranée gevangen in aluminium.

Op mijn laptop gaat het schrijven nog wel, zolang ik het beeld maar op 200% inzoom. Actief zijn op sociale media is lastiger. Daarvoor gebruik ik mijn telefoon, met een schermpje dat een stuk kleiner is dan dat van mijn computer. Vaak moet ik simpele zinnen als "Goedemorgen, fijne dag!" herschrijven, omdat er alleen abracadabra staat …

Appen is ook zo’n drama. In mijn dagelijkse appcontact met vriendin Nina verstuur ik steeds vaker rebussen: hele ritsen emoticons vullen het scherm. Dat werkt niet echt als je een tijdstip wilt afspreken. Gelukkig kan een mobieltje meer dan alleen whatsappen. Kortom: mijn tekortkoming is lastig en maakt me een moordenaar van onschuldige insecten.

Het lucht in elk geval op om mijn frustratie even te delen. En geen zorgen: paaltjes, verkeersborden en stoplichten zijn zo groot dat ik daar géén moeite mee heb.

Ach, er komt een koolwitje binnen schuilen. Dat snap ik wel; ondanks dat het zomer is, giet het aan één stuk door. Buiten hangen de oleanders en de gaura met hun bloemen naar beneden, verzopen in de regen. Was ik die vlinder, dan zou ik toch liever naar die ondersteboven hangende bloemen buiten vliegen. In mijn woonkamer is geen bloem te bekennen, laat staan een stamper. Ik ga 'm snel redden. Wie weet wordt mijn moord wel vergeven en kom ik later zelfs op de bank naast Petrus zitten. Zou hij een kop koffie en wat koekjes voor me hebben? Gezellig!

© sophie dijkgraaff

Wij maken op deze website gebruik van cookies. Een cookie is een eenvoudig klein bestandje dat met pagina’s van deze website wordt meegestuurd en door uw browser op uw harde schrijf van uw computer wordt opgeslagen.