De klok geeft aan dat ik nog tien minuten moet wachten op de volgende metro. Mijn hartslag gaat langzaam omlaag. Toen ik net mijn ov-kaart scande, schrok ik me lam: een man trapte het poortje open waar ik door wilde. Samen met zijn hond, een beest met een kop die je liever niet tegenkomt, raasde hij langs me naar de uitgang.

Ik stap de roltrap op. Het perron ademt nog de rustige sfeer van de vakantietijd. Op een bank zit een man, keurig gekleed in pak, alsof het vandaag geen 27 graden is, leunend op een wandelstok. Naast hem zit een dame – vermoedelijk zijn vrouw – in plissérok. Grote pareloorbellen wiebelen zachtjes aan haar oren. Ze luistert aandachtig.

Ik vang stukjes van hun gesprek op. Bij de namen die vallen – Bastiaan, Christiaan, Sébastien – slaat mijn fantasie op hol: ik zie mannen voor me die ooit studeerden en nu als golvende en zeilende doctorandussen door het leven trekken.

Dan hoor ik een woord dat me wakker schudt: Takamouchi-lijn.

“Dat lijkt mij een uiterst verkwikkende bestemming. Toen ik nog in het luchtvaartwezen werkzaam was, vloog ik geregeld naar Japan, maar helaas ben ik dáár nog nooit geweest,” zegt de man.
Ik kruis de ogen van de vrouw; ze houdt met moeite haar glimlach in.
“Mijn beste, als jij naar Japan wilt reizen, moet je flink sparen,” zegt ze.
“O, dat kan ik goed. Zeker met een vakantie naar de Japanse bergen in het vooruitzicht. Stel je voor: wandelingen over besneeuwde bergtoppen, ver weg van alle beslommeringen. Ik vraag James wel of hij zo’n reis kan regelen.”

De man dompelt zich helemaal onder in zijn fantasie. Ik zie mezelf ook daar, op zo’n bergtop. Plots steekt mijn tobberige kant de kop op: die man op een berg, met wandelstok? Hoe moet dat dan? Gaat James hem daarbij helpen? Zorgelijke vragen razen door mijn hoofd. Ik zie de krantenkop al voor me: Man valt van berg. Dood. De glimlach van de vrouw breekt door, alsof ze mijn zorgen raadt.

De metro nadert het perron en de deuren zwaaien open. Een lichte geur van popcorn slaat me tegemoet. Nog steeds piekerend over de bergbeklimmer met wandelstok stap ik naar binnen. Uit nieuwsgierigheid googel ik de Takamouchi-lijn. Nul resultaat. Wel vind ik de Takayama-hoofdlijn; dat landschap zou prima passen bij een dramatische bergscène. Jammer dat ik de man niet kan vragen of hij zich vergist heeft. Het onopgeloste raadsel raast met me mee de metrotunnel in.

Mijn blik valt op een meisje met paarse nagels, waarmee een wc-bezoek onmogelijk goed af te ronden is. In het gangpad loopt een oudere man in een lakleren pak en dito laarzen. Op zijn hoofd prijkt een blauw-metallic cowboyhoed. Het monotone gedender van ijzeren wielen voegt zich bij het tafereel.

Een angstig begonnen metrotrip, verandert langzaam in een parade van vreemde personages, absurde details en nieuwe verhalen.

© Sophie Dijkgraaff

Wij maken op deze website gebruik van cookies. Een cookie is een eenvoudig klein bestandje dat met pagina’s van deze website wordt meegestuurd en door uw browser op uw harde schrijf van uw computer wordt opgeslagen.