Gearmd met Nina loop ik over het vakantiepark. Sinds kort bezit ze hier een huisje, vlak bij het strand. Dat noemt ze elke keer, alsof het strand anders zou weglopen. De paraplu boven ons hoofd is vooral decor. Regen snijdt van opzij onderdoor en zoekt doelgericht mijn mouw. Ik draag stevige laarzen. Nina niet.
Altijd elegant balanceert ze op stiletto’s die bij elke stap een fractie wegschieten. Haar loopje neigt naar klunen.
We lopen langs een rood Zweeds vakantiehuisje. Er staat een bankje, bezet door tientallen tuinkabouters. Strak naast elkaar, mutsen diep over de ogen, starend naar niets. Een kleine gemeenschap met te veel vrije tijd. Binnen brandt warm geel licht. Uit een op een kier staand raam waait de geur van appeltaart. Iemand bakt troost.
"Het is hier zó rustgevend," zegt Nina, met een zucht.
Ergens klapt een deur dicht. Hard. Een windvlaag rukt aan de paraplu. Het ding draait binnenstebuiten en blijft hangen, geknakt en beledigd.
Dan begint Nina te lachen. Ondanks de kou en mijn jas, door en door nat, lach ik mee.
In de tuin voor Nina’s vakantieparadijs liggen her en der takken, afgerukt door de wind.
Haar lach stokt.
"O nee."
"Wat?"
Ze kijkt me aan.
"De sleutels."
Mijn lach hervat zich vanzelf. Dat gaat nog wat worden.
De overbuurman staat al bij het hek. Een man die aan één woord genoeg heeft. Even later staat het raam open. Hij bergt zijn gereedschap weer op.
Nina aarzelt. Ik zie hoe ze haar schoenen uitschopt. De rok gaat omhoog.
Met één voet op de vensterbank, steunend op een tuinstoel, glijdt ze naar binnen.
"Rustgevend," zegt ze, vanachter het glas.
Ik kijk naar het strand dat nergens heen is gegaan. Naar de kabouters, de wuivende buurman. Voor mijn volgende bezoek moet eerst de zon gaan schijnen. En een functionerende voordeur, ook handig.
©Sophie Dijkgraaff

