De stem knalt over het water. “Ja maar dat zei ik toch!” Daarna volgt iets over quinoa en grenzen stellen. Aan de overkant marcheert een vrouw in een rode jas driftig heen en weer, telefoon aan haar oor.
“Daaaag.”
Nee, toch nog niet klaar.
“Martijn, ik ga ophangen!”
“Doe dat dan,” mompel ik tegen mijn koffie. 

Mensen zeggen vaak dat groen kalmeert. Bij mij klopt dat wel. Zet mij tussen bomen, of hier — aan de vijver — en mijn adem zakt vanzelf een standje lager. Meestal dan.
Voor sommige mensen lijkt groen juist het tegenovergestelde te doen. Volume blijft hetzelfde, alsof er geen grens bestaat tussen binnen en buiten. Kwetterend alsof ze alleen op de wereld zijn.

Mijn aandacht gaat terug naar In gesprek, mijn favoriete onderdeel van de Libelle. Oma’s die zorgvuldig opschrijven hoe hun kleinkind “spaghetti” uitspreekt als “pakketti”. Vertedering in drukinkt.
Zonder eigen kleinkinderen blijf ik zo bij hoe peuters en kleuters de taal ontwikkelen. Ergens tussen logisch en volkomen onnavolgbaar. 

Halverwege de pagina dringt een nieuwe stem zich op. Lager, scherper.
Aan de overkant fietst een man langs de vijverrand. Zijn woorden waaien in flarden over het water. Hij is boos, zoveel is duidelijk. Hij trapt stevig door, iets heeft hem geraakt — hard.

Ah, daar verschijnt het antwoord.
Aan de waterkant zit een man op een klapstoeltje. Hengel strak het water in, blik op niets. Roerloos. Onaantastbaar. Precies op de plek waar de fietser graag hengelt.
Die trapt nijdig voorbij, slingert nog één laatste salvo het water over en verdwijnt uit beeld.

Ik richt me weer op mijn tijdschrift. Even is het stil. 

Dan besluiten de karpers de vijver tot golfslagbad te promoveren.
Paaitijd.
Raar maar waar: daarbij kan ik heerlijk lezen.

© Sophie Dijkgraaff

 

Wij maken op deze website gebruik van cookies. Een cookie is een eenvoudig klein bestandje dat met pagina’s van deze website wordt meegestuurd en door uw browser op uw harde schrijf van uw computer wordt opgeslagen.