Afgelopen week moest ik naar het ziekenhuis. Al jaren een vertrouwde plek. Tot die woensdag. Direct nadat ik binnenstapte, zag ik dat in enkele maanden tijd de toekomst bezit had genomen van de centralehal. Op de plek van de oude informatiebalie stond een futuristische nieuwe met erachter medewerkers in KLM-blauw. Naast de balie stond een al net zo flitsende koffiecorner en cadeauwinkel, alles opgebouwd uit glimmend witte kunststofplaten. Bij de aanmeldzuil, niet nieuw, hing tussen pamfletten waarop gepasseerde gebeurtenissen werden aangekondigd een A4'tje: MET DIT TICKET KUNT U EEN NUMMER HALEN BIJ DE POLI. DAARNA KUNT U PLAATS NEMEN IN DE WACHTRUIMTE.

Dit was wel nieuw, maar niet onuitvoerbaar. Met het dagticket liep ik naar de poli waar ik moest zijn, trok een nummertje en ging zitten. Nu is deze ruimte toch al niet de leukste plek op aarde, die dag was de misère nog erger dan normaal. Tussen de zuchtende medemensen holde een schare kinderen. Gilletjes vulden de ruimte. Geïrriteerd ging het publiek nog harder steunen. Tegelijk wierpen ze geniepige blikken naar een stel waarvan ik vermoedde dat het de ouders waren. Plots werd de kakofonie onderbroken door een reus van een man die binnenkwam, tegen een muur ging hangen en luidkeels telefoneerde met zijn garagist: 'Gisteren brandde het lampie op het dashboard wel Ger, vanmorgen niet meer.' Naast hem verscheen nog een man ten tonele. Een kleine gezette man die boven op zijn hoofd begon te krabben. Het tafereel had nog het meest weg van een slapstick.

'Kunt u opzij gaan?' hoorde ik de krabbelaar vragen.
'Effe wachten Ger, er mot iemand wat van me.'
De krabbelende man herhaalde zijn vraag.
'Waarom? Je ken er toch langs.' De reus die ik intussen handige Harry had gedoopt, keek neer op de kleine krabbelaar die piepte: 'Ik moet een nummertje hebben.'
'Een wát?'
Ter verduidelijking wees de krabbelman naar de nummertjesautomaat half verscholen achter de reus. In de tussentijd kon ik in de wachtruimte een speld horen vallen. Allemaal keken we geconcentreerd naar de mannen.
'Ach vent, zegt dat dan!'
Handige Harry zette de telefoon weer aan z'n oor: 'Hé Ger, moe je hore, ik kom morgen wel effe langs. Wat denk-ie daarvan?' ... 'Ja, goed hoor Ger, tot morgen.'
Bruusk draaide handige Harry zich om en wenkte naar een vrouw: 'Kommie ook?'
Een paar seconden later plofte de krabbelaar naast me op een stoel. Ik hoorde een zucht. Waarschijnlijk dit keer van opluchting. Om me heen zwol het geroezemoes weer aan.

Niet veel later hoorde ik vanuit de gang een bekende stem: 'Mevrouw Dijkgraaff.' Opgelucht verlost te zijn van de zuchtende mensen en gillende kinderen, liep ik achter mijn dokter aan. Alleen het gekke is, ik heb sinds dit gebeuren zo'n jeuk op mijn hoofd...

© Sophie Dijkgraaff

Wij maken op deze website gebruik van cookies. Een cookie is een eenvoudig klein bestandje dat met pagina’s van deze website wordt meegestuurd en door uw browser op uw harde schrijf van uw computer wordt opgeslagen.