Afgelopen week moest ik naar het ziekenhuis, al jaren een vertrouwde plek, tot die woensdag. Direct nadat ik binnenstapte, voelde de centrale hal aan als een filmset: alles glom, alles blonk, alles rook naar Dettol. Op de plek van de oude informatiebalie stond nu een futuristische versie, bemand door mensen in KLM-blauw die glimlachten alsof ze net hun stewardessdiploma’s hadden gehaald. Naast de balie verrees een koffiecorner en een cadeauwinkel – glimmend wit, strak en een tikje té perfect om waar te zijn.

Op de aanmeldzuil – niet nieuw – hing tussen pamfletten over activiteiten die allang voorbij waren een A4’tje:
‘MET DIT TICKET KUNT U EEN NUMMER HALEN BIJ DE POLI. DAARNA KUNT U PLAATSNEMEN IN DE WACHTRUIMTE.’
(Duidelijk een hoofdletterliefhebber.)

Na het opvolgen van de instructie liep ik met het dagticket naar de poli, trok een nummertje en ging zitten tussen de plastic planten die net zo glommen als de entreehal. Zo’n wachtruimte is nooit een plek voor levensvreugde, maar die dag was het een waar rampgebied.

Tussen de zuchtende volwassenen holde een troep kinderen rond. Gilletjes vulden de ruimte, een koor van jeugdige levenslust en ouderlijk berouw. Het overige publiek liet een geluid ontsnappen dat verdacht veel op collectieve wanhoop leek en keek beschuldigend naar een stel dat er ongetwijfeld bij hoorde.

Toen verscheen hij.
Een reus van een man, het type ruwe bolster, blanke pit, kwam binnen, leunde tegen de muur en begon luidkeels te bellen met zijn garagist, terwijl wij allemaal onze adem inhielden.
‘Gisteren brandde het lampje op het dashboard wel, Ger, vanmorgen niet meer,’ riep hij, alsof de hele wachtruimte zijn woonkamer was.

Naast hem verscheen een tweede man: klein, gezet. Zijn voeten wezen ieder een andere kant op, terwijl zijn handen door zijn haar woelden. Het tafereel had iets van een slapstick: Laurel en Hardy in polikliniekvorm.

‘Kunt u opzijgaan?’ vroeg de krabber beleefd.
‘Effe wachten, Ger, er mot iemand wat van me,’ zei de reus.
De krabber herhaalde zijn verzoek.
‘Waarom? Je ken er toch langs?’
De reus – die ik intussen Handige Harry had gedoopt – keek neer op de kleine man, die piepte: ‘Ik moet een nummertje hebben.’
‘Een wát?’

De krabber wees hulpeloos naar de automaat, half verscholen achter Harry’s omvangrijke torso. De wachtenden hielden hun adem in.
‘Ach vent, zeg dat dan!’
Zonder pauze brult hij in de telefoon: ‘Hé Ger, moe je hore, ik kom morgen wel effe langs. Wat denk-ie daarvan?... Ja, goed hoor, Ger, tot morgen.’
Toen draaide hij zich bruusk om en wenkte naar een vrouw: ‘Kommie ook?’
De scène eindigde even abrupt als ze begonnen was.

De krabber plofte naast me neer, zichtbaar opgelucht. Om ons heen zwol het geroezemoes weer aan, alsof iemand de pauzeknop had losgelaten.

Even later hoorde ik vanuit de gang een stem: ‘Mevrouw Dijkgraaff.’
Opgelucht verlost te zijn van de zuchtende mensen en gillende kinderen liep ik achter mijn dokter aan.
Alleen … sinds dat bezoek heb ik een merkwaardige jeuk op mijn hoofd.

© Sophie Dijkgraaff

Wij maken op deze website gebruik van cookies. Een cookie is een eenvoudig klein bestandje dat met pagina’s van deze website wordt meegestuurd en door uw browser op uw harde schrijf van uw computer wordt opgeslagen.