Ik zit in café du Centre, mijn vaste rustplek in het Waalse Namen. Buiten glijdt het stadse leven loom voorbij: wandelaars, zakenlui, moeders met kinderen in buggy’s. Binnen klinken glazen, het zachte geschuifel van stoelen, een kind dat lacht. Ik neem een slok van mijn La Chouffe, denk nergens aan, en net als ik mezelf bijna verveel – wat een zeldzaam genoegen is – zwaait de deur open. Een stel landgenoten komt binnen. De rust pakt z’n jas en vertrekt.
Aan het accent te horen komen ze uit Den Haag. Of er vlakbij. Drie echtparen van middelbare leeftijd, vrienden in herkenbare ANWB-jassen op stedentrip. Ze nemen plaats aan het tafeltje naast me. Mannen aan de ene kant, vrouwen aan de andere. De mannen bestellen Jupiler, de vrouwen wijn: blanc sec. Zodra de drankjes arriveren, ontstaat er een belangrijk overleg. Wat gaan we vandaag bekijken en vooral: wat nemen we mee naar huis? Dan valt de groep stil. Alsof een startschot klinkt, nipt iedereen tegelijk van zijn glas.
Voordat ik hoor wat ze van plan zijn, trekt iets anders mijn aandacht. Een jochie stormt naar binnen met een bak frites waar je een groot gezin mee voedt. De geur doet me watertanden. Hij ploft op een stoel, zijn benen wiebelend van vreugde. De goudgele staafjes verdwijnen in razend tempo – alsof hij bang is dat ze elk moment weer in rauwe aardappels veranderen.
Een opgetogen: "Dan gaan we dat doen!" haalt me terug naar mijn buren. Uit wat ik opvang, gaan ze na het café naar de Citadel. Dat besloten, praten de vrouwen samen verder.
“Zeg Truus, heb jij het gehoord van tante Margrietje?”
En ja hoor, tegen wil en dank spitsen mijn oren zich extra.
“Van tante Margrietje? Wat moet ik gehoord hebben?”
“Tante Margrietje is overleden.”
“Overleden? Wanneer dan?”
“Twee weken geleden. Henk hoorde het nieuws op de voetbalvereniging.”
Truus zit buiten mijn zicht, maar ik vermoed dat ze nog een extra slok wijn neemt om de schok te verwerken. De derde vrouw – haar naam blijft voor mij onbekend – mengt zich in het gesprek.
“Nou Lena, dat heeft Henk dan toch verkeerd gehoord. Ik heb tante Margrietje afgelopen week nog gesproken. Even denken … donderdag, ja, donderdag. Ze belde mij zelf.”
Ook Lena kan ik niet zien. Wel hoor ik haar scherp: “Hé Henk!” roepen.
Nadat er een doodse stilte is gevallen – zelfs het geroezemoes in het café valt even stil – vervolgt ze:
“Tante Margrietje is niet dood!”
“Niet dood?” herhaalt hij, verbaasd.
“Nee! En jij laat mij een kaart naar de familie sturen! Wat moeten die mensen wel niet van ons denken?”
Even van mijn stuk gebracht kijk ik opzij, recht in de pretogen van Henk. Op zijn bovenlip trilt een biersnor.
“Ach, dan zetten ze die kaart toch op de schoorsteenmantel. Dood gaat ze toch wel.”
Tja, probeer daar maar eens iets tegenin te brengen – of je lach binnen te houden.
Niet veel later komt het zestal in beweging, als een soort wandelende regenboog. Eerst een nog steeds pruttelende Lena met Henk in het rood, daarachter de andere koppels, twee aan twee, in groene en blauwe jassen. De bungelende rugtassen en paraplu's maken het kleurenpalet compleet.
Het jochie likt zijn vingers af, gooit zijn lege bakje weg en huppelt ook het zonlicht tegemoet.
Tevreden zet ik het glas La Chouffe aan mijn lippen. Voor een leuk verhaal is zwijgen soms genoeg.
© Sophie Dijkgraaff

