Er zijn plekken op aarde waar de verschillen tussen man en vrouw zich zo glashelder manifesteren dat zelfs een mol ze zou kunnen waarnemen. De Winterfair in de Brabanthallen is zo’n plek. Ik liep er samen met mijn vriendin Nina rond, tussen duizenden vrouwen – een gezellig gonzende zwerm van sjaals, tassen en het onvermijdelijke: "O, kijk dít nou!"
Af en toe dook er een man op, als een verdwaalde gans in een kolonie kolibries, met een blik die zei: ‘Ik begrijp dat ik hier ben … maar waarom eigenlijk?’
Heren, voor wie het even kwijt is: jullie zijn er louter om de aankopen te dragen.
Het is fascinerend hoe vrouwen op zo’n fair veranderen in enthousiaste voelsprietwezens. Alles voelen, ruiken en bekijken – dat is het devies. We laten een plaid door onze handen glijden, we hangen een tas even om de schouder – hangt-ie goed? – en we onderzoeken een kaars, ja zelfs een kaars, tot in de kleinste details.
"Deze ruikt naar winterbos", zei de verkoopster toen we haar kraam met kaarsen van uitsluitend natuurlijke ingrediënten betraden. Wij knikten plechtig en drukten onze neuzen tegen de boomstam, alsof we al twaalf generaties lid zijn van het Gilde der Geurkundigen, gespecialiseerd in dennenlucht.
Het ‘winterbos’ rook naar iets wat beslist nog nooit een dennennaald van dichtbij had ontmoet, maar wel een langdurige omgang met een overijverige chemicus leek te hebben gehad. Wij zwegen braaf, alsof dit precies de geur was waar we al ons hele leven naar zochten.
Mannen daarentegen … Mijn vriend ontwikkelt een bijna dwangmatige tastdrang in een doe-het-zelfwinkel. Bij het schap met moertjes en schroefjes staat hij minutenlang te mijmeren over materialen en alles waar hij die níét voor nodig heeft, maar tóch zou kunnen gebruiken. Keer op keer openen en sluiten de doosjes zich, alsof hij een groot geheim probeert te ontrafelen. Net als ik, koopt hij dingen die linea recta de kast in verdwijnen, ooit bedoeld voor een glorieuze bestemming.
Laatst waren we bij de Hubo. "Kijk nou", zei hij verrukt, "dit is een M6, maar ze hebben óók de M8 in verzinkt staal." Alsof hij net had ontdekt dat de aarde tóch plat is. Maar ik laat hem. Er is tenslotte niets fijner dan een gelukkige vriend.
Toen ik op de Winterfair opnieuw zo’n verdwaalde man langs een kraam met woondekentjes zag schuifelen, herkende ik dezelfde blik die mijn vriend krijgt als ik hem meesleep naar een winkel vol mandjes, vazen en andere dingen waarvan hij oprecht denkt dat we er al dertig hebben. Waarom zijn we hier? las ik in de ogen van de man. Ondertussen vroeg hij zich waarschijnlijk ook af waarom iedereen alles moet aaien.
Misschien is dat het mooie van deze verschillen. De een wil voelen om te weten of iets past bij het huis, het hart of de bank. De ander wil weten of het past op een draadeind van vijf centimeter. We kijken anders, maar we kijken wél – vaak liefdevol naar wat de ander zo gelukkig maakt.
Zo zwierf ik samen met Nina door de Brabanthallen, omringd door vrouwen die alles betastten, hun tassen vulden en - wanneer ze een man hadden meegevoerd – hun pakdier lieten sjouwen. Mannen verkenden intussen hun eigen grenzen, met een mengeling van berusting en stille hoop dat het snel koffietijd werd.
Ach ja, het leven is een fair. En soms een Winterfair. Daar moeten we het mee doen.
© Sophie Dijkgraaff

