Sinterklaas was bij ons thuis nooit een man van subtiliteit. Hij deed niet aan zachte voetstappen of een hoffelijk kuchje. Nee, hij arriveerde steevast met een bons op de buitendeur, het soort klap waarbij je verwacht dat er ergens een stuk stucwerk van de muur valt.
We wisten heus wel dat mijn vader nét even “een vergeten krant uit de brievenbus ging halen” – hoe hij daarbij nooit de Sint is tegengekomen, blijft een raadsel – en dat die bons precies daarna volgde. Kinderen kunnen wonderbaarlijk goed doen alsof. Je sluit een stilzwijgende overeenkomst met jezelf: je weet dat de heilige man niet bestaat, en toch bonkt je hart in je keel zodra het zover is. Misschien omdat je op dat soort avonden even gelooft dat alles mág kloppen, ook al klopt er helemaal niets.
Er hing altijd een verwarrende mengeling van spanning en theater in huis. Mijn moeder vloog ineens druk rond met koffiekopjes, alsof de Sint een Michelininspecteur was. Mijn vader sloop op kousenvoeten weg, opvallend onopvallend. En wij zaten met grote ogen in een kringetje, alsof we deelnamen aan een oud ritueel dat magischer leek dan onze huiskamer uit de jaren zeventig ooit heeft gevoeld.
En dan, na die bons: totale stilte. Alsof het hele huis zijn adem inhield. Tot iemand, meestal ik, héél voorzichtig fluisterde: “Zou hij …?” Waarop mijn moeder, die nooit goed heeft kunnen acteren, steevast riep: “Nou! Ga kíjken dan!” in een toon die verried dat ze allang wist dat er een zak voor de deur stond.
Misschien is dát de echte magie van Sinterklaas: dat we met z’n allen besluiten de werkelijkheid een avond vrij te geven. Alsof we nog geen idee hebben wat komen gaat. Om vervolgens te schrikken van iets wat we van ver konden zien aankomen.
Elk jaar opnieuw, zelfs nu ik volwassen ben en mijn vader al lang geen bons meer produceert, hoor ik op sinterklaasavond in mijn hoofd diezelfde klap op de voordeur. Ik zie mijn moeder in haar stoel de taken van de Sint behartigen, met een glunderend gezicht dat verraadt hoezeer ze geniet van elke seconde. Eén voor één vist ze de cadeautjes uit de jutezak, soms met een gedicht erbij, soms met alleen een grote glimlach.
En heel even bonst mijn hart alsof ik weer acht ben – een klein, warm naschokje uit een tijd waarin geloven nog moeiteloos ging.
© Sophie Dijkgraaff

